Tom Thys

De Steen van zwart

Niet lang geleden las ik een artikel over de ontdekking van een zwarte massieve steen, in het meest zuidelijke punt van Antarctica. Een grote kolonie pinguïns had zich al enkele dagen lang instinctief rond de steen verzameld. Het was alsof ze door een bovennatuurlijke kracht gehypnotiseerd waren en steeds terugkeerden naar de steen en hem voor de buitenwereld afschermden zoals zij dat met hun jongen doen. Enkele verdwaalde expeditieleden die ter plaatse onderzoek voerden naar de klimaatsveranderingen hadden het vreemde gedrag van de pinguïns opgemerkt. Gevangen in het desolate ijscontinent en terend op hun laatste krachten, besloten zij de plaats te onderzoeken. Toen zij na verwoede pogingen om de pinguïns te verjagen voor het eerst een glimp opvingen van de steen, waren zij onmiddellijk in de ban van zijn magische zwarte glans. Zij stonden perplex van hun ontdekking.
Kort daarna stootten de expeditieleden op het lijk van een roodharige man dat niet ver bij de steen vandaan lag. Dat het was vastgevroren in het ijs aan de oppervlakte en nog niet was ondergesneeuwd, wees erop dat het er maximum een paar dagen lag. De koude had het lichaam goed geconserveerd. Desondanks kon men het tot op heden niet identificeren.
De steen, die niet groter was dan een half mensenlichaam, was samengesteld uit een op aarde onbekende stof die het ene moment amorf en het andere moment elastisch was. Bovendien – en dit maakte de vondst nog spectaculairder – bevatte de steen vreemdsoortige inscripties die aan geen enkele andere tekens of symbolen op aarde verwant waren. Een resem sterfgevallen van zij die in contact kwamen met de steen bemoeilijkt het onderzoek dat wetenschappers, archeologen, historici en taalkundigen op dit moment voeren. Met vrees voor hun leven, maar gedreven door passie en nieuwsgierigheid, leggen zij zich toe op het ontcijferen van de tekens die, volgens hen, doelbewust en dermate gestructureerd in de steen zijn aangebracht dat niet van toeval gesproken kan worden. Volgens officieuze bronnen zouden ze zelfs zo uniek en gedetailleerd zijn in hun ontwerp, dat met de vraag of de steen afkomstig is van een menselijke beschaving, geen rekening werd gehouden.
Deze onwaarschijnlijke ontdekking deed me ogenblikkelijk terugdenken aan een huiveringwekkende gebeurtenis waarvan ik lang geleden getuige ben geweest, en die me tweeëntwintig jaar na datum nog steeds koude rillingen en angstdromen bezorgt.

Ik woonde toen nog in Everett, een wijk in Boston, in een groot, oud huis waar ik op het gelijkvloers een succesvolle dokterspraktijk had. Op de andere verdiepingen waren verschillende leegstaande kamers waarvan ik er vijf verhuurde aan studenten. In al die jaren heb ik meer dan honderd studenten een dak boven het hoofd geboden, de meesten zou ik niet eens meer herkennen, maar een van hen zal ik nooit vergeten: William Fitzsimmons en dat vuurrode haar van hem.
Het was in het jaar 1987. William studeerde aan de faculteit Natuurwetenschappen. Alles bij elkaar zou hij vijf jaar bij mij verblijven, net zolang tot zijn studies ten einde zouden lopen. Ik heb altijd aangevoeld dat hij een bijzonder iemand was, anders dan al mijn andere gasten, ook al heb ik nooit de gelegenheid gehad om hem echt te leren kennen. Daarvoor was hij te teruggetrokken, te zwijgzaam. Hij was niet timide, maar bezat een weloverwogen afkeer voor diepgaand menselijk contact.
William ging niet vaak naar de lessen, maar ik herinner me nog heel precies hoe hij tijdens zijn eerste twee studiejaren, het ganse jaar door, elke woensdag, zonder één week over te slaan, de universiteitsbibliotheek bezocht en terugkwam met een stapel boeken waar elk normaal mens enkele maanden tijd voor nodig had om ze te lezen. Maar William niet. Hij verslond ze alsof het niets was.
William was geobsedeerd door alles wat met de kosmos en de plaats van onze planeet daarin te maken had. De boeken die hij uit de bibliotheek meenam handelden alleen maar daarover. Soms vroeg ik me af hoe het mogelijk was dat er zoveel lectuur over dit onderwerp bestond.

Tijdens de eerste twee jaren van Williams verblijf verliep alles heel normaal. Ook al ging hij amper naar de lessen, ik had de indruk dat hij zijn studies serieus nam, zij het dan op zijn eigen eigenzinnige manier. Hij zat immers dag in dag uit, van 's morgens vroeg tot 's avonds laat, te studeren en te lezen op zijn kamer en naar eigen zeggen had hij weinig moeite met het afleggen van de eindexamens. Het verwonderde mij dan ook niet dat hij twee jaar op rij zonder veel moeite geslaagd was.
Pas toen William in het derde jaar zat, zijn de problemen begonnen. Althans, dan zijn ze voor mij en de andere studenten die in mijn huis vertoefden zichtbaar geworden. Zijn wekelijkse bezoeken aan de bibliotheek waren plots opgehouden en ons onderling contact, dat überhaupt al heel erg oppervlakkig was, verdween volledig. Hij verliet nog zelden zijn kamer en als hij dat al deed, dan was het in het holst van de nacht, wanneer er geen levende ziel meer te bespeuren viel in de straten van Everett. Na enkele weken had ik eens een poging ondernomen om hem te tijdens een van zijn nachtelijke uitstappen te onderscheppen. Ik had hem beneden in de trappenhal staan opwachten. Hij leek amper verbaasd wanneer ik plots het licht aanstak toen hij het huis wou verlaten. Op zijn grimas viel een duidelijke fysieke en mentale aftakeling af te lezen. Ik wilde hem vragen wat er aan de hand was, of hij misschien problemen had met zijn studies, of met iets anders. Hij is me toen gewoon voorbijgelopen, de duisternis in, zonder iets te zeggen of zonder zich zelfs maar te vergewissen van mijn aanwezigheid, met een ondoordringbare glazen blik die geen oogcontact toeliet, alsof hij in een andere wereld vertoefde, een wereld losgerukt van de realiteit waarin u en ik onze dagen slijten. Toen heb ik maar besloten om het te laten varen. Hij was immers een goede huurder, betaalde altijd op tijd en zorgde nooit voor overlast, dus had ik geen enkele reden om hem eruit te gooien.

Pas toen de andere studenten enkele weken later over Williams vreemde gedrag gingen klagen, zag ik mezelf genoodzaakt om hem opnieuw te benaderen, zij het met veel tegenzin. Ik bemoeide me liever niet met andermans zaken. Het was tijdens de strenge winter van 1989. Wegens aanhoudende sneeuwstormen brachten mijn huurders en ik de dagen noodgedwongen binnen door, bij de warmte van het haardvuur. Gelijktijdig met het opsteken van de eerste sneeuwstormen, veranderde de sfeer in huis.
De studenten die recht en schuin onder William een kamer huurden kwamen bij mij klagen over het feit dat ze slapeloze nachten overhielden aan het aanhoudende getik dat uit zijn kamer afkomstig was en met vaste regelmaat door de plaastermuren vibreerde. Het getik hield nooit op zeiden ze, dag of nacht, alsof er in de kamer een overijverige student maniakaal op zijn schrijfmachine zat te tokkelen om tijdig zijn eindwerk af te krijgen. Ikzelf heb er logischerwijs nooit hinder van ondervonden, omdat ik destijds op het gelijkvloers sliep, maar ik achtte het nodig om in te grijpen alvorens de problemen zouden escaleren.

Op 14 december ondernam ik een eerste poging om met William te gaan praten over de overlast die hij veroorzaakte. Zelf kwam ik bijna nooit hoger dan het gelijkvloers waar ik woonde, tenzij om, als men mij dat vroeg, eventuele schade aan radiatoren en sanitair te bekijken alvorens herstellingswerken uit te voeren. De treden van de eikenhouten trap kraakten onder mijn voeten toen ik vastberaden, maar enigszins zenuwachtig en bang afwachtend voor de confrontatie die zou volgen, naar de zolderverdieping klom. De hard waaiende wind had enkele voegen gevonden in de oude muren en was de trappenhal binnengedrongen. Er klonk een ritmische symfonie. Hoe hoger ik klom, hoe onheilspellender de symfonie ging klinken en hoe meer ik de koude die uit Williams zolderkamer afkomstig was gewaar werd. Het leek er nog kouder dan buiten. Pas toen ik op een meter van zijn deur stond, besefte ik dat de ijzige tocht die door de trappenhal waaide, afkomstig was uit zijn kamer. Via de kieren drong de tocht de rest van het huis binnen. Ik hoorde toen ook voor het eerst dat regelmatige getik waarover de andere studenten mij hadden aangesproken. Het was duidelijk hoorbaar, maar klonk niet overdreven luid. Het was vooral het aanhoudende, hypnotiserende ritme dat na verloop van tijd door merg en been begon te snijden. Ook al had ik er slechts twee minuten staan luisteren, ik kon me op dat moment perfect inbeelden dat het getik verantwoordelijk was voor de slapeloze nachten van mijn huurders.
Na enige tijd klopte ik op de deur. Er kwam geen antwoord. Ik klopte nogmaals, dit keer wat harder en kordater. Weer kwam er geen antwoord. Ik aarzelde even of ik William zou roepen, maar besloot dan om terug naar beneden te gaan en hem een brief te schrijven die ik later die dag onder de deur zou schuiven. Iets in mij zei dat deze oplossing beter was dan een directe confrontatie, al was het maar omdat het mij aan het nodige lef ontbrak.

Het kostte me een halve dag om de juiste woorden te vinden voor de brief. Tegen de avond trok ik opnieuw de trappen op, op weg naar de zolderkamer, in de hoop dat William na het lezen van de brief wat zou doen aan dat constante getik waardoor zijn onderburen zo geplaagd werden. Bij het naderen van de zolderverdieping werd ik, net zoals eerder die dag, bevangen door ijskoude lucht die uit zijn kamer stroomde. De koude drong door tot in het diepst van mijn beenderen en zorgde ervoor dat ik met veel pijn en moeite de laatste treden besteeg. In die korte tijd waren mijn vingers zo verkleumd geraakt, dat ik er zelfs niet meer in slaagde om de brief die ik aan William geschreven had, uit de zak van mijn vest te halen. Eenmaal ik voor Williams kamerdeur stond, merkte ik hoe mijn eigen schaduw zich aftekende tegen een diffuus violet licht dat via de kieren naar buiten drong. Ook het sleutelgat werd opgelicht door die onaardse schijn. Opnieuw hoorde ik dat vervelende getik dat nog altijd even onverbiddelijk bezit nam van de zolderkamer. De vreemde taferelen die zich achter de deur leken af te spelen maakten dat ik, in plaats van de brief achter te laten en terug naar beneden te keren, mij bukte om door het sleutelgat te gluren. Nooit eerder had ik mij verlaagd tot zo een daad, maar door de omstandigheden was mijn verstand zo beneveld dat ik niet meer aan die drang kon weerstaan. De koude, het licht en dat aanhoudende getik waren slechts een fractie van het surrealistische spektakel dat zich in Williams zolderkamer afspeelde.

Middenin felle, kleurrijke nevels en diepe afgronden van inktzwarte duisternis die hem genadeloos omsingelden, stond hij koortsachtig, als een bezeten beeldhouwer, te beitelen aan een grote zwarte steen die zich in het wiskundige hart van de kamer bevond. Het leek alsof zijn zolderkamer voor even verworden was tot het epicentrum van de uitgestrekte kosmos, waar zich onmeetbare en voor een aardbewoner onvoorstelbare krachten roerden. William zelf scheen zich niet te vergewissen van al het onheil waarvan hij het doelwit was geworden; integendeel, zijn aandacht ging volledig naar de zwarte steen waarin hij met uiterste nauwkeurigheid vreemde geometrische symbolen stond te graveren. De symbolen hadden voor mij geen enkele betekenis. Als het al een taal was, dan was ze zeker niet van onze planeet afkomstig. Het was een taal die alleen William scheen te beheersen, al had ik in al mijn angst en verwondering de indruk dat niet hij, maar een hogere kracht die bezit had genomen van zijn lichaam, hem dit kosmische kunstwerk deed creëren. Meer dan een uur lang heb ik roerloos naar dit indrukwekkende schouwspel staan staren om uiteindelijk, overladen met verbijstering en ontzag, terug te keren naar mijn woonkamer op het gelijkvloers. Ik heb toen overwogen om diezelfde avond nog naar de politie te gaan, maar gezien de curieuze aard van de gebeurtenissen was de kans dat men mij serieus zou nemen onbestaande. Als vooraanstaand arts had ik immers een reputatie hoog te houden. Bovendien begon ik na het aanschouwen van dit bovennatuurlijke spektakel zodanig aan de betrouwbaarheid van mijn eigen zintuigen te twijfelen, dat ik tegen beter weten in besloten heb om te gaan slapen, of dat althans te proberen.

De ganse nacht heb ik wakker gelegen, deels geteisterd door angst voor de onmetelijke krachten die zich in mijn huis schuilhielden, deels uitgelaten over de gebeurtenissen en hunkerend naar een luisterend oor dat mijn fantastische relaas zou toehoren.
Toen ik 's morgens, samen met de ongelovige studenten aan wie ik mijn verhaal verteld had, naar de zolderkamer ging kijken of de krachten die zich er de avond ervoor hadden geroerd nog steeds aan het werk waren, zag ik dat Williams kamerdeur wagenwijd open stond. Binnenin de kamer was het leeg en kaal. De onuitstaanbare koude en het getik waren verdwenen. Er stonden geen meubels of persoonlijke spullen meer. Zelfs het bed was weg. Van William zelf was geen enkel spoor te bekennen. Ook hij was weg. Verdwenen.

De Steen van zwart © Tom Thys

Terug naar Schrijversweb 2009

Terug naar Schrijversweb

Terug naar Homepage