Robin Wijnhold

Dag nacht

Ik zet de radio aan en doe mijn schoenen uit. Vermoeit plof ik neer op mijn leren bank en hang mijn hoofd langzaam achterover. Terwijl ik de stress van vandaag uitadem, voel ik mijn spieren langzaam ontspannen. Ik sluit mijn ogen even en dagdroom een beetje weg. Net voor ik in slaap sus word ik plotseling gewekt door mijn onderbewustzijn. De radio is begonnen een prachtig oud jazz deuntje te spelen. Ondanks dat ik dit nummer nog nooit eerder heb gehoord, ken ik het noot voor noot. Dit deuntje staat diep in mijn geheugen gekerfd, dieper dan een jeugdliefde in de bast van een boom. Eerst speelt de trompettist lage, kalme noten, zo kalm als het kabbelen van golven aan zee. Juist wanneer je begint weg te drijven, zet de trompettist een krachtige hoge noot in. En dan, als een vloedgolf, komen er nog meer van die machtige hoge noten. En dan nog een. En nog een. En dan, plotseling, alsof het nooit is gebeurd trekt hij zich terug in de kalme zee, om vanuit daar weer opnieuw te beginnen.
Terwijl ik merk dat mijn voet en mijn hoofd zijn begonnen mee te bewegen met de muziek, denk ik aan iemand die het deuntje nog beter speelt als deze trompettist.

De zon scheen met schone schijn, het was een zwoele en lange zomeravond. Kijkend uit mijn raam, in de waan van mijn jeugd, voelde ik elke dag een ongekende vreugde wanneer ik met een kreet van herkenning mijn vader hoorde thuiskomen. Het prachtige en herkenbare fluitje van mijn vader. Elke dag, na een lange dag van tijdloos werken, kwam hij vermoeid maar vrolijk thuis en altijd floot hij hetzelfde; eerst een paar rustige schone lage tonen vervolgd door plotselinge krachtige hoge tonen om vervolgens weer een paar zachte noten te spelen. Zijn fluitje was het startsein van mijn zusje en ik voor een race om de voordeur open te doen. Binnengekomen zette hij zijn koffertje neer en omhelsde ons, waarna hij zijn werkkleding uit deed en ik een trui voor hem haalde. Ik pakte altijd dezelfde, het was een beetje een rare trui, groenachtig blauw, met een patroon dat leek op en blauwe wolken hemel boven een groene zee. Ik weet nog goed hoe ik altijd mijn nieuwsgierige kinderogen keek hoe mijn vader zich omkleedde. Mijn vader was niet zo groot, maar had brede schouders en een vriendelijk gezicht met vrolijke groen-bruine ogen. Hij had een mooie snor die altijd kietelde wanneer hij me op mijn voorhoofd kuste. Het fascinerende eraan was dat je echt kon zien dat hij transformeerde, hij deed de zware last van zijn werkkleding uit en deed zijn lichte lieve trui aan. Hij was nu thuis en ik zag altijd zijn schouders langzaam zakken en ontspannen. Daarna ging hij naar beneden om gezamenlijk met ons aan de grote houten eettafel te eten.
Dit was een heerlijk dagelijks ritueel dat mijn nog prille jeugd beheerste.

Het donderde voor dagen aan de normaal zo rustige Hollandse hemel.
 ‘Onweer’ zij moeder.
Een paar zonsopgangen later was het druk op straat. Klikkende laarzen, marcherende mannen, geschreeuw, gestamp, trucks jeeps en tanks reden af en aan. Nederland was Nederland niet meer.
We waren gecapituleerd.
Daar kwam dus al het onweer vandaan. Ik wist niet zo goed wat alles betekende ik herinner me alleen nog de diepe bezorgdheid op mijn moeders gezicht. Terwijl haar lichaam zoals altijd strijdbaar stond, staarden haar ogen vaak machteloos voor zich uit. Bij mijn vader merkte ik niks, hij kwam nog steeds fluitend thuis. Ik mocht steeds minder buiten spelen en mijn vriendjes, behalve die naast me woonden, zag ik zelden. Ik vond het allemaal erg vervelend. Op een gegeven moment ging mijn vader niet meer naar zijn werk, wat geweldig voor mij was, omdat ik nu een nieuwe speelkameraad had.
‘Lange vakantie’ zei moeder.
Voor mij kon die niet lang genoeg duren. Mijn vader en ik beleefden de prachtigste avonturen met mijn houten trein. Samen reisden we de hele wereld af. Mijn vader vertelde over prachtige verre oorden, over plaatsen waar honden mensen eten en andere plaatsen waar mensen honden eten. Het was allemaal even spannend en fascinerend voor mij.
Op een dag probeerde cowboys iets te wild mijn trein te beroven en tot mijn grote verdriet brak de locomotief van mijn houten trein. Mijn kleine kinderhartje brak en ik huilde zoals alleen een kind dat kan. Mijn vader kwam uit te keuken gelopen en zag met trieste ogen en een glimlach op zijn gezicht wat er was gebeurt.
‘Ach jongen toch’ zei hij terwijl hij me troostend optilde.
‘Niet huilen, die kunnen we misschien nog wel lijmen, en kunnen we samen weer vrolijk verder spelen. Ik neem je mee naar Mauritanië. Heb je daar weleens van gehoord?’
‘dat gaat niet meer’. Zei ik met rode ogen en pruillippen.
‘ach jongen, zo gaat dat nou eenmaal. Dingen gaan kapot. Dingen komen en gaan. Dat hoort erbij. Zonder komen geen gaan. En zonder gaan geen komen. Allemaal hetzelfde liedje’
Ik snikte alleen maar terwijl hij me zachtjes tegen zijn borst aandrukte.

Een paar weken later en een gelijmde houten trein verder kwam mijn vader een keer mysterieus naar mij toe.
‘Kom es mee’ zei hij.
 Mijn vader leek meer gespannen de laatste tijd. We liepen door de keuken naar het koude schuurtje. Krakend deed hij deed het deurtje van het kolenhok open. Moeilijk kijkend ging hij met beide handen diep in het kolenhok.
‘maar we hebben nog genoeg kolen’ zei ik.
‘wacht maar’ zei hij geduldig.
Na een tijdje wroeten, trok hij iets groots naar buiten. Samen met wat kolen en wat roet kwam er een grote doos te voorschijn. Gefascineerd, benieuwd naar wat er in die doos zat, keek ik toe. Toen hij de doos opmaakte zag ik tot mijn teleurstelling dat mijn vader onze mooie bruine radio, die ik trouwens al een hele tijd niet meer had gezien, te voorschijn haalde.
‘maar waarom zet je de radio daar neer?’ vroeg ik verbaasd.
Mijn vader lachte toen hij mijn teleurstelling zag. Hij sloot de deur en sloot de radio aan.
 ‘gaan we naar een hoorspel luisteren?’ vroeg ik enthousiast. Ik wil je iets laten zien. Serieus wees hij naar de knop die de radio aan zette.
 ‘Kijk eens naar die knop.’ Ik ging wat dichterbij zitten en inspecteerde de knop.
‘wat is ermee? Ik zie niks’. Hij lachte weer, terwijl zijn ogen serieus bleven. Hij zette de radio aan een vrouwelijke stem klonk door de radio. Nog voordat ik begrijp wat ze zei zette mijn vader de radio weer uit.
‘Hé waarom deed je dat?’
‘Zo snel kan het gaan’ zei hij glimlachend. Ik begreep er niets van. Weer zette hij de radio aan, om hem, dit keer na iets langer te wachten weer uit te zetten.
“Dit is radio Oranje, de watergeus vaart!” Kwam nog net uit de radio voordat mijn vader hem weer uitzette.
‘ik wil een hoorspel horen!’ zeurde ik.
‘ik wil dat je een ding onthoud. Als je goed kijkt naar die knop zie je dat aan en uit dezelfde knop is’.
‘Ja’ zei ik vragend terwijl ik zachtjes de knop indrukte.
‘Zo is het met alles. Dag, nacht. Pijn, plezier. Slapen, wakker. Allemaal dezelfde knop.’
Met grote ogen keek ik nogmaals naar de knop, maar ik zag nog steeds niks bijzonders.
Het moet niet lang daarna geweest zijn. Mijn vader moet het geweten hebben. We zaten op een avond gezamelijk thee te drinken. Mijn zusje en ik dronken warme melk.

Mijn ouders praatte wat over de schandelijke prijs die boer de Witt voor zijn kaas vroeg. Opeens werd er krachtig op de deur gebonsd. Verschrikt keek mijn moeder naar mijn vader. Die stond zelfverzekerd op en liep naar de deur. Twee mannenstemmen praatten hard en dwingend. Ik verstond er niets van. Kort daarna kwam hij terug. Hij kuste ons en nam mijn moeder mee naar de gang. Niet veel later hoorde ik een van de mannen ongeduldig iets roepen. Kort daarna sloot onze voordeur en was het lange tijd stil op de gang. Ik was al inslaap gevallen naast de kachel toen mijn moeder alleen terug kwam in de woonkamer. Haar hoofd hing en haar schouders hingen slap en zwak, en terwijl ze in haar stoel bij de kachel zakte werden we zachtjes verteld dat het bedtijd was.

‘Wanneer komt papa terug?’ terwijl ze me een moederlijke aai over de bol gaf antwoordde ze ‘hij is aan het werken voor de Duitsers, maar hopelijk komt hij gauw terug’
‘Maar dat zeg je al zoo lang’ zeurde ik.
Mijn moeder glimlachte alleen. Ik verveelde me vaak. Het was lang geleden dat ik voor het laatst een verre reis met mijn trein had gemaakt. Ik kende geen verre landen en geen rare dieren. Ik wachtte op hem met Sinterklaas. En met mijn verjaardag. En met Sint Maarten. De enige reizen die ik maakte waren aan de strenge hand van mijn moeder, die me om de zoveel tijd meesleepte naar het hoofdbureau om naar mijn vader te vragen. Later vertelde mijn moeder me dat ze niet wist of hij nog leefde of niet, waar hij was, wat hij deed en of hij ooit zal terugkomen. Ze had alles geprobeerd om maar wat informatie te krijgen, buren, familie vrienden gevraagd. Maar gedurende al die tijd niks van hem gehoord.
 Niet lang na nog een Sinterklaas waar de Sint vergeten was mijn vader mee te nemen zat ik op een avond dicht tegen mijn moeder aan. Mijn moeder las een boek bij het kaarslicht en ik dronk de warme melk die ze zojuist voor me had gemaakt omdat ik niet kon slapen. Het was koud in onze huiskamer, de kachel was al een tijdje uit en mijn moeder had een warme deken over ons heen gedaan. Op de achtergrond tikte de klok zachtjes de tijd weg. Het was een stille nacht en de wind blies zachtjes door de kalende bomen. Plotseling werd ik opgeschrikt door een bekend geluid ergens in de verte. Ik schoot rechtop en spitse mijn oren. Heel zachtjes hoorde ik tussen het blazen van de wind een paar rustige lage tonen gevolgd door een paar sterke hoge tonen. Dat kon toch niet waar zijn? Maar plotseling was het daar nogmaals. Ik wist het nu zeker. ‘Papa!’ Schreeuwde ik terwijl ik naar de deur rende. Ongeduldig probeerde ik de deur open te trekken maar hij zat nog op het slot. Mijn moeder was me achterna gelopen en tilde me rustig op.
‘papa komt vanavond niet thuis’ zei ze terwijl ze me kalmerend over mijn haar streek.

Ik schreeuwde nogmaals dat het papa was, maar al gauw zaten we weer rustig in de grote stoel en mijn moeder las weer diep verzonken in haar boek. Ik was onrustig en concentreerde me op buiten. Ik hoorde niks dan de wind die huilde tegen de bomen. Mijn hart klopte nog steeds als een bezetene. Mijn moeders rustige ademhaling kalmeerde me. Plotseling was het weer daar, nu luider voorheen. Ik voelde mijn moeders adem stokken en haar spieren spannen. Haar ogen stonden volledig open en haar pupillen waren groter dan ooit. Ze draaide haar hoofd om beter te horen. En daar was het, onmiskenbaar, het prachtige, prachtige deuntje van mijn vader. Zo mooi en zo helder, het ging door merg en been en terug. Mijn moeder stond met een ruk op en trok me mee naar de deur. Geconcentreerd maar onrustig opende ze de voordeur en ze rende naar buiten.
‘Blijf hier’ zei ze bestlist.
Vanuit de deuropening zag ik haar kort verschrikt rondkijken. Het leek even of twijfel er weer in kwam. Maar toen plotseling kwam mijn vader’s silhouet achter de bosjes vandaan. Voor een milliseconde keek hij schichtig om zich heen om vervolgens de laatste meters naar mijn moeder te rennen en ze vlogen elkaar in de armen. Minutenlang stonden ze daar, toen ik het niet meer kon houden en ook naar buiten rende en mijn vaders been beetpakte. Lachend tilde hij me op en gezamenlijk liepen we snel naar binnen. Tranen van geluk en ogen nog steeds vol ongeloof keek mijn moeder naar hem. Alsof ze het nog steeds niet kon geloven, pakte ze hem om de paar seconden stevig beet. 
‘Ik dacht ik kom even langs’ zei hij droog maar breed glimlachend.
 Mijn moeder lachte door haar tranen. Mijn zusje werd ook wakker gemaakt en tot diep in de ochtend vertelde mijn vader wat hij allemaal had meegemaakt. En hoorde hij ons liefelijk uit of we wel braaf geweest waren. Hij vertelde dat hij eerst loodzwaar werk moest doen in een munitie fabriek in München, tot dat op een gegeven moment een Duitse officier binnenkwam die vroeg wie er kon zwemmen. Omdat hij een van de enige was die het had verstaan had hij vol bravoure zijn hand opgestoken. Kort daarna was hij zwemleraar en gaf hij aan een grote groep officiers-kinderen zwemles.
‘maar je kunt toch helemaal niet zwemmen?’ vroeg mijn moeder. Luid lachend antwoordde mijn vader ‘ja, maar dat wisten zij niet!’
Ook vertelde hij over hoe hij aan de stranden bij Oostende houten kruisen moest plaatsen zodat er geen vliegtuigen konden landen. Lachend vertelde hij dat er op een gegeven moment een Duitse officier op de fiets kwam kijken hoe alles ging, en dat toen hij zijn fiets tegen een van de grote kruisen aanzette, die pardoes omviel.

‘Je had zijn gezicht moeten zien toen dat ding omviel’ brulde hij.
We bleven op tot we door al onze kaarsen heen waren. Een nachtkus van mijn vader garandeerde dat ik als een blok in slaap viel.
Door luid en dwingend gebons op onze voordeur schrok ik de volgende ochtend wakker.
‘öffnen sie die Tür!!’ werd er hard geschreeuwd. Mijn ouders stonden verschrikt op in de kamer naast me. Met een luide knal werd onze voordeur ingetrapt. Met stampende laarzen stormden Duitse soldaten naar binnen. Met luid geweld rende ze door onze gang en de huiskamer. Snel daarna kwamen ze de trap opgerend. Met wild geweld gooide vader alles wat hij voor handen had naar beneden. Schreeuwend gooide hij een stoel op een van de soldaten, die daardoor met een klap achterover viel. Hij gooide boeken een parfumfles en een kruk, maar het had geen zin. Totaal geschokt en bewegingsloos zag ik toe hoe mijn vader hard met de kolf van een geweer werd neer geslagen. Er werd een paar keer hard op hem ingetrapt vooradat hij hardhandig de trap werd afgesleept. Mijn moeder schreeuwde. Mijn zusje huilde. Eenmaal beneden werd hij gesommeerd op te staan. Ik rende hem achterna en zag hoe hij straf naar de legertruck werd gebracht. Kort keek hij om, maar kreeg toen nog hem duw wat hem dwong vooruit te kijken. En daar was het. Eerst golfde zacht een paar kleine geluidsgolvjes van de zuiverste lage noten naar mijn oren. Toen krachtig en zelfverzekerd, als een vloedgolf, de machtige hoge noten. De golf spatte uiteen in mijn oren. En terwijl de legertruck wegreed, trok de golf zich zachtjes terug in de koude ochtend.

Plotseling schalt er een luide stem door de radio. “Dit is het nieuws van 8 uur. Nieuwe onderhandelingen gestaakt in Israel. Olie prijzen op recordhoogte.” Eventjes kijk ik half nadenkend, half glimlachend naar de kleine vierkante knop midden op mijn radio.
Dan zet ik hem uit.

Dag nacht © Robin Wijnhold

Terug naar Schrijversweb 2008

Terug naar Schrijversweb

Terug naar Homepage