Mathijs Heuvel

De zonnebril

‘’Mijn naam is Judith, en je had nooit tegen me moeten gaan praten.’’
Dat is wat ze zei toen ik haar voor het eerst aansprak. Ik zei dat ik er nu al spijt van had, en ze lachte. Haar lach was hoog en helder, misschien zelfs oprecht. Nee, echt spijt had ik er zeker niet van. We zaten in de kantine van de opleiding die we deelden, bij gebrek aan ruimte toevallig op dezelfde leren bank. Zelden was ik zo blij door toeval, want dit was echt niet de eerste keer dat ik haar had gezien. Nee, ze was me op de allereerste dag al opgevallen, haar magere figuur, wilde haar en vermoeide uitdrukking. Ze droeg een kapotte spijkerbroek, een wit hemd en een leren jack er overheen. Een paar legerkisten maakten haar non-conformistische look helemaal af, maar dit was niet de reden dat ik me tot haar voelde aangetrokken, althans, niet de volledige reden. Er lag iets in haar blik, de manier waarop ze haar omgeving gadesloeg. Haar voorhoofd droeg altijd een lichte frons, alsof de dingen die ze zag haar constant verbaasden. Misschien interpreteerde ik haar uitdrukking wel helemaal verkeerd, maar dat haalt niet weg dat ik me ermee kon identificeren. We deelden een paar hoorcolleges, en vandaag deelden we een aantal vrije uren. Vanochtend liep ze praktisch naast me op weg van station Deventer naar het schoolgebouw, en een geur van sigaretten en haarlak drong diep tot me door. Verdomme dacht ik, waarom praat ik niet gewoon tegen haar? Op dat moment passeerden we een grote glazen ruit, en ik zag hoe belachelijk nep ik eruit zag in vergelijking met haar. Zwarte colbert, wit overhemd, nieuwe spijkerbroek… het enige dat er niet bij paste was m’n haar, maar ook dat zag er zoals gewoonlijk eigenlijk niet uit. Ik vond mijn kleding wel mooi, natuurlijk wel, en vanochtend had ik nog gedacht dat ik er vandaag wel aardig uitzag, maar om een of andere reden leek het belachelijk om in deze kleding tegen iemand zoals haar te praten.

Oh, laat ook maar.

Nu was ze echter naast me gaan zitten, noodgedwongen of niet, en het zou mijn ‘’imago’’ alleen maar meer schaden wanneer ik geen woord zou zeggen. Hoe ongemakkelijk ik het mezelf ook zou maken met wat ik ook zeggen zou, het verbleekte bij het ongemak van minutenlang naast iemand zitten zonder een woord te zeggen. Vooral omdat de hele kantine wel druk in gesprek was. Na enkele seconden van hersenbrekende overdenkingen besloot ik maar gewoon eerlijk te zijn en haar te zeggen dat ik wel iets zinnigs wilde zeggen, maar helemaal niets verzinnen kon.

Even later stelde ze voor om de overvolle kantine te verlaten, ze voelde zich er niet zo thuis en wist een betere plek, ergens midden in Deventer. Midden in Deventer? Maar de lessen begonnen weer over een uur… was dit wel een goed idee? Ik wilde niet direct een hoop belangrijke lesstof missen, het jaar was amper begonnen en ik had eigenlijk ook nog helemaal niets uit m’n lesboeken gelezen. Ik moest dingen bijhouden, ik moest aantekeningen maken en… ach… waarom ook niet. Waarom ook niet? Ik kon kiezen tussen een gevecht met een constant oprukkende slaap terwijl ik verwoedde pogingen deed bij de les te blijven, of een mogelijk leuke tijd hebben met het enige meisje waar ik me tot nu toe aangetrokken voelde in dit hele gebouw. Ik heb zo mijn prioriteiten, althans dat geloof ik. En ach, misschien was ze helemaal niet van plan om uren ergens te gaan zitten en wilde ze alleen wat te drinken halen en weer teruglopen. Wist ik veel.

Toen ze me buiten vroeg of ik ook een sigaret wilde durfde ik niet te weigeren, hoewel ik in feite niet rookte. Verdomme, ik wilde immers niet overkomen als een of andere typische modelleerling! Nee, ik zou laten zien dat ik net zo alternatief was als zij, misschien zelfs nog wel alternatiever. Ja, ze moest eens weten welke dingen ik las, wat voor dingen ik schreef en wat voor films ik keek. Oh, ze moest eens weten wat voor overtuigingen ik droeg, en… en, nou ja, nee. Nee, ik vond mezelf helemaal niet zo alternatief of vreemd, en mijn smaak was enkel obscuur in contrast met de ondiepe troep die de massa tegenwoordig verslindt. Zoveel films keek ik niet, en de dingen die ik schreef waren alles behalve controversieel, aangezien niemand ze ooit las en er dus geen meningen over bestonden. Deze gedachten gingen door me heen toen ik naast haar liep en haar hoorde praten over haar klasgenoten. Ze vond dat de meeste mensen in haar klas maar stom waren, pratend over onbelangrijke onzin zoals werkgroepjes.

Onbelangrijke onzin?

Ik had het samenstellen van deze werkgroepen verdomd belangrijk gevonden, aangezien ik niet weer bij een stel sociaal incapabele jongetjes wilde gaan zitten. Zo ging het altijd bij mij, ik wilde eigenlijk bij geen enkel groepje terechtkomen, waardoor ik altijd uitkwam bij een stelletje nerds die juist wel een groepje wilden maar nergens werden geaccepteerd omdat ze er over het algemeen niet uitzagen. Uiteindelijk was het allemaal mislukt, en ik zat nu bij twee jongens die alleen maar konden praten over computerspelletjes en een meisje dat nog onzekerder was dan ikzelf, zo erg dat die twee jongens hun afgrijselijke angst en op verkeerde dingen gebaseerde  respect voor meisjes leken te vergeten en zich zichtbaar durfden te ergeren aan haar manier van doen. Ik ergerde me op mijn beurt weer hier aan, maar ze was ook wel heel erg onzeker. Er was absoluut niets dat ze kon doen zonder haar excuses van tevoren aan te bieden aan iedereen die er eventueel door zou worden beïnvloed, en het ergste van dit alles was dat ik het best kon begrijpen. Haar uiterlijk liet erg veel te wensen over wanneer je het vergeleek met wat in het algemeen als ‘’aantrekkelijk’’ werd gezien, en ik had veel medelijden met haar op die momenten dat haar onzekerheid ervoor zorgde dat iets niet goed lukte. Ik zag de blikken van achterin de klas en ik wist hoe ze achter haar rug om werd uitgelachen. Ja, ik had echt veel medelijden met haar, vooral toen ik merkte dat ze steeds meer tegen mij ging praten. Ik was immers nooit onaardig tegen haar, en ik geloof dat ze mijn bedoelingen verkeerd begreep. Een aantal keren pakte ze m’n hand wanneer we naar de supermarkt liepen, en ik kon het niet over m’n hart verkrijgen om er iets over te zeggen. D’r hart was waarschijnlijk nog vaker gebroken dan de mijne, en vast niet met de subtiele tact die tegen mij was gebruikt. Dit greep me allemaal best wel aan, maar ik had geen zin om direct een of ander lang, kritisch verhaal aan Judith te gaan vertellen over mijn nieuwe omgeving hier, dus zei ik maar dat ik het helemaal met haar eens was, en dat die lui eens goed moesten gaan nadenken over hun prioriteiten in het leven.

Toen we het centrum bereikten, bleef Judith plotseling stilstaan. Ze realiseerde zich plotseling dat ze niet meer wist waar het café dat ze me wilde laten zien zich bevond, en na haar beschrijving te hebben gehoord had ik ook geen flauw idee. We haalden onze schouders op en besloten een willekeurige richting op te lopen. We praatten over allerlei onbelangrijke zaken, totdat ze begon te praten over boeken. Haar stem werd plotseling een stuk zachter, en ze zei dat ze veel las omdat ze de wereld wilde begrijpen. Ze ging een stukje dichter naast me lopen en praatte over hoe ze de wereld vreemd en onwerkelijk vond, en dat ze dacht dat door veel te lezen ze een betere grip zou kunnen krijgen op deze fundamentele emotie, dat ze als ware door te lezen beter zou kunnen relativeren. Deze woorden kwamen te plotseling voor me, en het lukte me helaas niet om snel genoeg een zinnig antwoord te verzinnen. Daarom vroeg ik haar maar welke schrijvers ze bewonderde, en de eerste naam die ze noemde was Murakami. Ik kon een brede glimlach niet onderdrukken, en ze zag dat ik hem ook kende. Ze vroeg me of ik soms huilde aan het einde van zijn boeken, en ik zei tegen haar dat ik tot nu toe bij bijna ieder boek van hem had gehuild. Haar glimlach was oprecht en mooi, en de laatste paar twijfels over het missen van de lessen vanmiddag vielen samen met mijn initiële onzekerheid van me af. Haar alternatieve houding leek niet veel meer te zijn dan een soort masker, een schild tegen de sociale moeilijkheden die een gevoelsmens meestal over zich heen kreeg. Een barrière van onverschilligheid tegen de pijn en het lijden, welke nu leek te vallen. Ze praatte tegen iemand die wist wat ze bedoelde wanneer ze zei dat ze een vreemd soort zenuwen voelde bij sommige passages, iemand die wist waarom ze soms geen woorden kon vinden om haar gevoelens uit te drukken, en iemand die dat begreep.

We liepen verder en verder, pratend over dingen waar ik normaalgesproken niet zomaar over zou praten. Ik houdt over het algemeen helemaal niet van bepaalde passages navertellen, ik houdt er niet van om mijn emotie bij die specifieke stukken uit te pluizen, om het om te zetten in woorden. Deze keer maakte het echter niet zoveel uit, omdat ze wist waar ik het over had. Ze maakte kleine sprongetjes van vreugde wanneer ik een fantastisch stuk uit een boek dat we beiden kenden noemde, en ik knikte lachend wanneer zij hetzelfde deed. Ze kende me pas anderhalf uur en ze begreep me beter dan een heleboel mensen die me al jaren kennen. Ik kende haar pas anderhalf uur, en ik vertelde haar dingen die ik nog nooit aan iemand anders verteld had. Diepliggende emoties liepen over in overtuigingen, en ik realiseerde me dat we wel erg veel gemeen hadden. Het gevoel dat ik hierbij kreeg was vrij onwerkelijk, ik had me die ochtend verschrikkelijk ongelukkig gevoeld in de trein, en nu voelde ik me opeens blij en opgetogen.

Onwerkelijk, maar blijkbaar toch niet zo onmogelijk als ik had gedacht.

De plek die we zochten hebben we nooit gevonden, en uiteindelijk namen we genoegen met een willekeurig ander café. Ik bestelde een kop thee, zij bestelde koffie. Ze vertelde me dat ze soms gedichten schreef over de dingen zie ze allemaal zag, en ik voelde hoe mijn hart opwelde bij deze woorden.

De dingen die ze zag.

Zelden kwam ik iemand tegen die zo existentialistisch overkwam, maar ik durfde die term niet in het gesprek te gooien. Het zou waarschijnlijk teveel kapot maken, grote kans dat ze precies wist wat het inhield en dat ze het ‘’label’’ niet op prijs zou stellen. Het specifiek benoemen van bepaalde emoties deed afbreuk aan het gevoel, en ik kon zoiets niet over m’n hart verkrijgen. Sterker nog, ik vond mezelf een verschrikkelijke klootzak, alleen omdat ik er überhaupt aan had gedacht. Ik zei tegen haar dat ik ook wel eens gedichten schreef, en ze stelde voor om eens wat uit te wisselen. Ik wilde instemmen, maar ik aarzelde omdat ik de meest persoonlijke dingen in mijn gedichten stop. Maar op hetzelfde moment dacht ik dat ze het allemaal vast wel begrijpen zou, en zo niet, misschien kon ik haar wel in fijn detail uitleggen wat ik bedoelde met de dingen die ze niet begreep… op onze volgende afspraak bijvoorbeeld. Volgende afspraak? Jezus, rustig aan… je kent haar net een paar uur. Maar zo dacht ik wel degelijk, ik zag eindelijk iemand die me kon verlossen van de eenzaamheid die ik voelde, van het onbegrip dat ik te vaak mee had gemaakt.
Het was een volmaakte scène, althans op dat moment. Ik zat in een praktisch leeg café te praten met het meisje dat vanaf de eerste dag mijn aandacht had gegrepen, en ik wist zeker dat mijn gevoelens werden beantwoord. Haar blik en haar lach wanneer ik iets vertelde dat ze herkende, en de manier waarop ze soms bijna vergat te ademen wanneer ze een anekdote vertelde die vergelijkbaar was met datgene dat ik haar zojuist had verteld. Haar lichte verlegenheid wanneer ik de kleinste van complimenten maakte over haar lijst van favorieten, en haar rode gezicht toen ik zei dat ik vond dat ze er leuk uitzag… ja, het was allemaal vrij volmaakt. Toen het vier uur was keek ze plotseling op haar horloge, en meldde ze dat het helaas tijd was om te gaan. Ik knikte, en we liepen hand in hand richting het station. Mijn hart was zo vol met allerlei prachtige emoties, allerlei ideeën, goddelijke inspiratie uit een heel andere bron als gewoonlijk. We passeerden dezelfde glazen ruit als die ochtend, en ik zag hoe anders mijn uitdrukking was geworden.

Judith moest de tegenovergestelde richting op, en haar trein ging een kwartiertje eerder weg dan de mijne. We waren echter wat vroeg, hand in hand zittend op een bankje op ’t perron. Nu zeiden we beiden niet zoveel meer, ik was bang om een uitgebreid gesprek aan te gaan om het vlak daarna weer af te moeten breken, en ik dacht toen dat zij hetzelfde dacht. Daar zaten we, dicht tegen elkaar aan, wachtend op die verschrikkelijke trein die ons uit elkaar zou trekken.

Toen het lawaai van de binnenkomende trein afstierf, vroeg ik haar of ze morgen misschien weer iets wilde afspreken.

‘’Mathijs?’’

‘’Ja?’’

‘’Ik heb al heel lang een vriend… het spijt me van vandaag. Ik had het niet moeten doen, maar ik wist niet echt wat me bezielde. Ik vond het gewoon te leuk denk ik… maar nu kan ik niet verdergaan. Ik wil mijn relatie niet in gevaar brengen. Het spijt me. Het komt gewoon zo zelden voor dat ik echt met iemand kan praten over bepaalde dingen… mijn vriend leest niet, hij begrijpt dat allemaal niet zo goed. Ik hoop dat je het kan begrijpen.’’

Ik begrijp het wel. Natuurlijk begrijp ik het wel. Ik begrijp altijd alles, ik snap het altijd. Natuurlijk. Doe wat je wil, ik begrijp het wel. Waarom zou ik dat niet doen? Ik heb toch geen verwachtingen. Natuurlijk niet.

Ondanks de zware bewolking die de zon plotseling deed verdwijnen, haalde ik m’n zonnebril uit mijn tas. Even later stond ik op en voegde mezelf toe aan de menigte die zich verzamelde voor de trein die ik hebben moest, en ik voelde hoe mijn geluk weer oploste in het rumoer van de drukte.

De zonnebril © Mathijs Heuvel

Terug naar Schrijversweb 2010

Terug naar Schrijversweb

Terug naar Homepage