|
I
Tussen de bergdennen lagen Russen in de geur van kolendamp. Sommigen waren dood, anderen dagloners in uniform.
We volgden het melkspoor, waadden langs heuvels, verborgen het nageslacht in grotten op sneeuwzekere dagen.
Het deed er niet toe dat bomen licht buitensloten. Het deed er niet toe dat bij de gratie van wind regen van handen sloeg.
De gedrevenen strompelden voor de wanhoop uit, sloegen de bijl op poolhoogte. Zaagden naaldbomen. Stierven. Vingen vis.
Waar we woonden, zouden we wonen en we wisten het. Hier driften kleuren naar de hel. Vermomd.
II
We sliepen op sprokkelhout, uitwerpselen, lieten sommige lijken aan de wolven. Deelden de lompen. Vlees.
We legden bevroren ledematen tegen het noorderlicht, kleefden het ganse volk aan ijsgrijze borsten.
Het deed er niet toe, dat we als op een op hol geslagen sneeuwbal zuidwaarts dreven, om voedsel vochten, de eer.
De wijzen wisten wel beter. Beschaving lag in het mogelijk smelten van de verijsde aarde. De daden van de zon.
Toen ze eindelijk opdook boven de schotsen zagen we het duister knikken.
III
Niets hield verband. Toen sneeuw van de bosbodem smolt telden we de oneven jaren. Knepen handen fijn in ijsberenbont.
De opstandigen onder ons joegen hitsige kemphanen de nog lege baltsplaatsen op. Rouwenden krasten rendieren in een rots. Een jong in de buik.
Beurtelings kookten we de van vlees ontdane beenderen. Verdreven de tering uit soep en vielen van herhaling in herhaling in herhaling.
Dat God vanaf een rotsblok op ons neerkeek, dat hij aan handen en voeten gebonden wist dat wij waren uitgestorven? Het deed er niet toe.
|