|
het uitzicht was enorm zowel over kokkelvelden tussen koeten, voeten aan draden verbonden met de zee regen we paden, slonken geulen aaneen, raadden modderwoelend mossels schreeuwden met de monden dicht tegen het zout
oud geworden stuurden we lage rode zonnen hun ondergangen tegemoet in rimpelige spiegelvlaktes de wind blies paardenkoppen in de wolken zowel op ribbelgrond en kabbelgolven stapelden wij vuisten in de lucht zo ver wij spiedden nergens sporen van afloop in het zicht van al wat was, verdronken in helder tegenlicht als ergens achteraf
|