|
Als bomen naakt zullen staan
Strijk met je hand door je haren
Keer op je stappen terug
Laat geen blad ongelezen
als het zomert in de appelgaard
doe het gulzig, verstrooid, per ongeluk
herleid het zonlicht niet
tot een harde streep
zo wil ik niet baden in het licht,
ga terug zitten, neem mij als een boek
weer ter hand en lees mij
Het vertrek
Waar de straat wat breder wordt
net voorbij de drempel waar ons huis
zou staan, het geluid van de stad uitvalt
samen met de lichtreclame
Waar de hond de kat de bel aanbindt,
modderschoenen bij de voordeur geen
figuur zouden slaan
als deze plek van ons had kunnen zijn
met al zijn toebehoren, dan was het niet
uitgesloten dat onze verschillen zichzelf
zouden geruststellen
Maar waar moeten we heen om alleen
in een gedicht of in de ban van een boek
te zijn, zonder vrees de scherven te lijmen
van een opgebroken stad waar we hebben
liefgehad?
Bij een oude foto
Laagjes schroom heb je mij afgepeld
terwijl ik wachtte,
op de bloesem van de kerselaar
we hebben nooit voor jaarringen
gekozen, alleen de lente willen kennen
zand bluste de zinderende kreet
van onze zonsondergang
al reikt dit gevoel te ver, al ligt
de verwachting op de bovenste tree
van alle trappen, al wacht ik nog steeds
alsof het mij opnieuw kan verheugen,
buiten adem staak ik mijn wens,
ik schuif de la dicht en sta op, mij bewust
van alle jaargetijden die mij ontbreke
|