|
Avondzon laat de witte rolgordijnen blozen. Tussen haar tenen bruisen de belletjes van een voetbad dat de geur van lavendel uitwasemt. Via het raam door het labyrint van krulspelden waait warm een wind terwijl ze haar paringsmasker aanbrengt. Met elke streek oogpotlood, mascara, lipstick en nagellak verbant ze haar hunkerminuten naar het verleden zodat ze plaatsmaken voor hevigere. Op haar patio in een mandala van terracotta potten gevuld met palmstruiken wacht een gedekte tafel. Kaarsvlammen spiegelen zich in glazen klaar om sprankelwijn op te vangen, zwarte borden om een kleurige paella te omlijsten en dessertschaaltjes om een mengsel van ananas, druiven en aardbeien overgoten met room te omhullen. De hakken van haar sandalen klikken als ze de trap afdaalt en over de houten vloer naar de keuken loopt waar ze een sigaret opsteekt en smekend kijkt naar de klok waarvan de wijzers vertraagd door de hitte voortkruipen. Haar mobiel laat een roffeltje horen. Een envelopje in de linker bovenhoek. Schatje, duizend maal sorry. Ik ga het niet redden vanavond. Maak het snel goed met je…xxx. Als de woorden waterig worden drukt ze op verwijderen. Met een paar slokken wijn luwt ze een huilbui, knijpt de kaarsen uit en smijt de achterdeur dicht. Ze opent de tuinpoort en rijdt haar fiets naar buiten.
Hoe vaak moet ik mijn kop nog stoten voor ik het eindelijk eens besef, vraagt ze zich af en trapt haar pedalen venijnig naar beneden. Ze verwerpt het idee hem een verrassingsbezoekje te brengen even snel als het bij haar opkomt samen met alle woedende teksten die ze hem terug kan sturen. Die tijd is geweest. Ze stopt op het trottoir en haalt haar mobiel te voorschijn. Met nagels gelakt voor zijn vermaak typt ze haar niet gemeende woorden in. Geeft niets, kan gebeuren. Misschien volgend weekend? Xxx.
In de verte doemt het geluid van de kermis op, het gedreun uit de boxen klontert samen en verdringt haar gedachten. Met een zak popcorn loopt ze door de menigte waarin haar blik valt op stelletjes die hand in hand wachten in de rijen om hun verliefdheidskriebels door de attracties te laten ophitsen. Mocht er al iemand naar haar kijken dan zouden ze vast denken dat ze hier rondloopt om versierd te worden; om een vent te scoren die ze mee naar huis kan nemen zodat hij later, met zijn bedwelmde kop en zwetende lijf, zijn opgespaarde lusten op haar kan botvieren. Maar de verbittering op haar gezicht werkt als een spiegel waarin niemand zich gereflecteerd wil zien. Ze pulkt de laatste pofmaïs uit de zak die ze samenperst en wegsmijt met de illusie dat deze festiviteiten haar afleiding bieden. Via een zijstraat, langs de oliebolkraam en de goktenten komt ze op het terrein waar de exploitanten hun wagens gestald hebben. Het muziekgedruis neemt af terwijl ze door de kabels tussen de caravans manoeuvreert. Alle raampjes zijn verduisterd en met gordijnen beschermd tegen nieuwsgierige blikken. Net vraagt ze zich af hoe ze via deze weg bij haar fiets moet komen als ze een getik hoort. Niets verraadt de oorzaak van het geluid. Als ze de volgende stap zet klinkt het getik weer, dwingender nu. Ze draait zich om en achter een zwak oranje licht ziet ze achter het raam van een kleine caravan de gestalte van een oude vrouw die haar wenkt. Zou ze zich op verboden terrein bevinden? Ze zet haar voet op de eerste trede van het opstapje en de deur zwaait open. 'Kom binnen Julya,' zegt een glimlachend gelaat.
Haar voeten zakken weg in een perzisch tapijt dat de ruimte geheel bedekt. In het midden staat een eiken tafel met vier eiken stoelen onder het tafelblad dat beschenen wordt door een lamp van amberkleurige tranenkettingen. De wanden moeten de indruk wekken van steen te zijn door het papier waarmee ze behangen zijn. Een fauteuil van groen fluweel staat voor een t.v. meubel in de hoek. 'Hoe weet u mijn naam?' vraagt Julya. De vrouw ontwijkt haar vraag, laat een ketel vollopen en zet hem op een kookplaat. 'Ga zitten kind. Ik zet een kop thee voor ons.' Boven de zwarte, gehaakte stola, gedragen over een jurk met rozen, prijkt een knot die zeer lang haar doet vermoeden. 'Eens was ik ook zo mooi,' zegt de vrouw alsof ze voelt dat Julya haar bekijkt. 'Maar ook niet gelukkig in de liefde, net als jij.' Ze zet twee bekers neer die een melange van munt en kaneel uitwasemen en staart Julya aan met ogen zo zwart dat er geen pupil te onderscheiden is. 'Hoe..?, begint Julya. Maar de vrouw pakt haar handen vast. 'Ssst, meisje. Laat ik beginnen je mijn naam te zeggen. Elista heet ik.' Ze streelt Julya's handen en draait ze om. 'Vroeger werkte ik als zieneres maar ik moest mijn plaats afstaan aan die snelle machines daar,' zegt ze en wijst met haar duim over haar schouder. 'Nu reis ik nog mee met mijn zoons en breng mijn avonden hier in mijn wagen door. Vanavond zag ik jou lopen. Ik had je nooit geroepen als ik je geen sluier van verdriet mee zag slepen. Heb ik gelijk?' Julya knikt. 'Ik wil je helpen hem te vergeten of te vangen als je wilt. Maar beloof me één ding. Laat je geluk nooit van een ander afhangen. Nooit.' 'Ik denk niet dat ik hem wil vergeten mevrouw Elista. Mijn verliefdheid is sterker dan ik ooit voor iemand gevoeld heb. Maar dat schijnt hem te benauwen.' Elista klikt met haar tong en schudt haar hoofd. 'Heb je een foto van hem?' Julya bladert door de bestanden van haar telefoon en toont Elista een foto die ze vorige maand genomen heeft. 'Goed. Hier is wat we gaan doen. Jij drinkt je thee op terwijl ik wat kruiden bij elkaar zoek. Ik doe ze in aparte zakjes en het is de bedoeling dat je een drank voor hem maakt. Je neemt een beker heet water en schept een theelepel uit elk zakje. Laat het geheel 6 minuten trekken en voeg dan twee wimpers toe, een van elk oog. Dat laat je hem drinken.' Julya staart in haar thee. Dit is toch te gek om los te lopen. Van de andere kant kwaad zal het ook niet kunnen en haar eigen trucjes hebben tot nu toe niet gewerkt.
Met zes buideltjes, dichtgebonden met rode lintjes, verlaat Julya de caravan. 'En denk erom,' fluistert Elista terwijl ze haar hand op Julya's schouder legt. 'Maak het drankje exact zoals ik je gezegd heb.'
Op zaterdag draait Julya het scenario van zeven dagen daarvoor weer af. Na het dessert zal ze hem zeggen dat haar koffie op is maar dat ze wel een kop thee zet. Zijn beker met het elixer waarin twee oogharen drijven hoeft alleen een minuutje in de magnetron. Om zeven uur gaat de bel. Om haar begerigheid te verhullen trekt ze nog een paar keer aan haar sigaret voor ze open doet. Boven een bosje oranje rozen straalt de glimlach van Ignacio haar tegemoet. 'Hi.' Ze neemt de bloemen aan en draait hem haar wang toe als hij haar lippen wil kussen. 'Ik weet dat je op me gerekend hebt Juul, maar ik kan niet blijven vanavond. Mijn ouders vliegen vanavond naar Spanje en ik heb beloofd ze naar het vliegveld te brengen. Ik was het vergeten, sorry.' Verbijstering houdt haar mond op slot. Ze draait zich om en loopt de huiskamer in, bang dat hij de deceptie door haar neergelagen oogleden heen ziet schijnen. 'Ben nou niet kwaad poppetje. Ik kan wel eventjes blijven.' Ze schudt zich los van de handen die om haar middel glijden. 'Weet je wat? Kom volgend weekend naar mij. Dan kook ik voor jou. Ik heb wel de hond van mijn ouders te logeren. Maar ik beloof je, ik zal je heerlijk verwennen.' 'Ik zal er over nadenken Ignacio. Wil je nog iets drinken voor je gaat?'
Die avond eet Julya haar deel van het diner op. De buren zullen wel denken, zij alleen aan haar romantisch gedekte tafel. Na het fruitdessert begint het kil te worden, ze brengt de vaat naar binnen en wast af. De etensresten spoelen door het afvoerputje vergezeld van de twijfel. Waarom zou ik hem in Godsnaam aan me willen binden? Vraagt ze zich af. Vooropgesteld dat die onzin van Elista klopt. Met de doek wrijft ze de afwas droog. Ik verdien beter dan deze bindingsangstmacho. Als ze haar borden in de bovenste keukenkastjes terugzet, valt haar oog op een gazen zakje met een rood lintje. Ze is er één vergeten! De kruiden ritselen tussen haar zenuwachtige vingers. Ze kijkt naar de keukenklok. Hij moet nu wel zo'n beetje terug zijn van het vliegveld. Zal ze hem bellen om te horen hoe hij klinkt? Zou het zin hebben als ze hem een kopje geeft alleen van dit kruidenaftreksels?
Avondbewolking maskeert maan en sterren. Het licht van de straatlantaarns beschijnt de loper van natte klinkers die zich voor haar fiets uitrolt. Ze jaagt de laatste bocht door waar de rand van het bos opdoemt als een schilderij met melkachtige vernis overgoten. Vreesaanjagend bespelen zweet en kilte haar lichaam wanneer ze de tunnel van bladeren inglijdt. Het tuinhuis met een zwarte lap voor één van de ramen lijkt honend naar haar te knipogen. Ondanks de afwezigheid van zijn pick-up sluipt ze gebukt naar het raam waarbij de struiken zich als krammen in haar panty vastzetten. Bij het uitblijven van geblaf verdwijnt haar hoop maar toch loopt ze naar achteren. Het mos op de tegels dempt haar voetstappen. Als het goed is ligt hieronder nog een sleutel, denkt ze terwijl haar vingers naar een aardewerk pot tasten. Met de sleutel loopt ze naar de achterdeur en een lamp springt aan. Ze deinst achteruit, draait zich om en daar ligt hij; in een cirkel van keien als een mandala van organisch materiaal. Een ademteug blijft achter haar huig steken. Als druiven uit de hoorn des overvloeds stulpen zijn ingewanden naar buiten. Een hand bedekt haar geopende mond. 'De stemmen zeiden dat je zou komen. Is hij niet mooi?' Zijn lid groeit tussen de plooien van haar rokje. Haar oorschelp loopt vol met zijn gehijg. 'Kom binnen liefste, ik heb een liefdesdrank voor ons gemaakt. Ik heb zijn hart door de sapcentrifuge gehaald, dat was genoeg om twee kelken te vullen.' Ze brengt haar linkerhand naar achter en wrijft over de opdringerigheid tussen zijn benen. Verlamd van begeerte laat hij haar los, ze keert naar hem toe en slaat haar armen om zijn nek. 'Dank je schat.' Ze kust zijn voorhoofd. 'Ik had me geen grotere liefdesbetuiging kunnen wensen.' Gulzig zoeken zijn lippen die van haar. Ze kust hem terug. De adrenaline stuwt haar kracht op en op tot zij de roestige sleutel in zijn halsslagader ramt.
|