Woordenstroom
Schrijvers
Verhalentop
Beoordeling BSN
Beoordeling Blok
Schrijversweb
Prozawedstrijd
Poëziewedstrijd
Debutanten
In eigen beheer
Van A tot Z
Links
Olja Rudic

Het lot-complot

Van kinds af aan droomde ik ervan oma te worden, zittend in een schommelstoel bij de open haard met twee kleinkinderen, een op elke knie, en mijn grijze haren in een dot. Ik zou dan heen en weer schommelen en mijn verhaal vertellen aan de kinderen met een krakerige stem, terwijl mijn familie aan de andere kant van de woonkamer samen koffie zou drinken. Nu besef ik dat dat allemaal maar wazige gedachtengangen waren, behalve de grijze haren dan. Daarom vertel ik het aan jullie, zodat jullie hieruit leren en het doorvertellen.
Het begon allemaal bij onze eerste ontmoeting, waar alle verhalen meestal beginnen. We schoven aan in de nieuwe broodjeszaak achter de hoek van onze school: mijn beste vriendin en ik. Zestien jaar waren we en we zaten in dezelfde klas.
'Dat is 'm!' brulde ze in mijn oor, 'dat is onze nieuwe leraar Nederlands! Achter ons!' Ik draaide me om en inderdaad: daar stond hij onschuldig voor zich uit te staren. Zijn bruine haren in de war, zijn blauwe hemd half uit zijn broek en een ongeschoren kin. Had ik geweten wat er op het punt stond te gebeuren had ik me nooit omgedraaid...
Diezelfde dag nog sprak hij tegen mij: 'Ben jij Sylvie?' Hij keek me aan, scherp maar niet zonder sympathie.
'Ja meneer.'
'Goed.'
Dat was de eerste keer dat we woorden wisselden. Nu, jaren later, moet ik toegeven dat ik ietwat teleurgesteld was in hem: zijn haar was warrig, maar zijn hoofd nog veel meer. Orde en discipline waren niet zijn sterkste kant en ik, met mijn compulsieve drang naar keurigheid, had het daar uiterst moeilijk mee.
Op een winterse avond, net na nieuwjaar, ging ik een druk jazzcafé binnen samen met een vriendin. Het lot sloeg toe, misschien wat te hard, want bij het binnengaan stond hij daar: we wisselden wel van blik maar voor de rest negeerden we elkaar. Ik wilde niet gezien worden door of laat staan mét mijn leraar Nederlands en hij wilde zeker niet herkend worden als leraar Nederlands. Eenmaal gezeten op een hoge barkruk nabij het toilet bestelden we een Devil's Kiss, de specialiteit van de bar. De muren waren bespoten met obscene graffititekeningen en aan de deuren hingen affiches die dateren uit de tijd dat seks een taboe was, rock-and-roll nog moest worden uitgevonden en homo's alleen voorkwamen in het oude Griekenland. Wat later op de avond deed ik een folder, die midden op de kleverige en roestende tafel lag, open. Daarop stond het programma van het jazzcafé waarin we zaten en helemaal onderaan stond de naam van het groepje dat vroeger op die avond had opgetreden. Bij nader inzien had de zanger van het groepje dezelfde naam als hij. Plotseling zag ik vanuit mijn ooghoek iemand op het podium kruipen: een eerder stuntelig gestalte, verkreukeld hemd en haren die alle kanten uitstonden. Ik moest zelfs niet twijfelen over wie deze verschijning zou kunnen zijn. Vastberaden liep ik naar voren, duwend en trekkend aan de menigte rondom mij, en eenmaal aangekomen bij het podium schraapte ik mijn keel een schreeuwde ik door de oorverdovende muziek: 'de kuisploeg begint pas binnen tien minuten!' Hij keek op, lachte en zonder ook maar één keer te moeten twijfelen riep hij mijn naam en omhelsde hij mij alsof hij mij jaren had gezocht en nu had teruggevonden. Dit, moet ik eerlijk toegeven, was zowat het begin van het einde: we speelden het spel der liefde in zijn auto en nog eens op zijn appartement, maar het bleef niet bij die ene –sorry- twee keer. Hitsige briefjes, lieve woordjes, sensuele aanrakingen en vurige blikken op elk moment van de dag. Wat hadden we plezier! Het leek wel of we de hele wereld aankonden, zeker met zo'n geheim. Soms was er meer opwinding aan het geheim te bewaren dan aan het spel zelf. Vooral op risicovolle en riskante plaatsen zoals het clichématige kopieerlokaal of gewoon zijn klaslokaal. Ook op schoolreis was het soms ook wat afzweten. De eerste avond verdwenen we beiden mysterieus met dan later de smoes dat ik mijn jas verloren was. Later beseften we dat er niemand om middernacht zijn jas gaat zoeken in het centrum van Parijs.
Op zijn concerten was ik altijd aanwezig. Iets trok mij aan zoals de aarde mij aantrekt, alleen was zijn aantrekkingskracht sterker. Niet alleen zijn stem was betoverend maar ook zijn danstechnieken. Hoe hij het publiek kon entertainen en fascineren was gewoon ongelooflijk.
Onze band werd met de tijd sterker en onze relatie spannender. Hij werd vaker en vaker door andere leerlingen gespot op concerten en het zou te verdacht worden dat ik op alle concerten aanwezig zou zijn, maar gerrodeld werd er niet. Dat was gewoon niet mogelijk. Wanneer hij het onderwerp werd maakte ik altijd een of andere, al dan niet gemene, grap over zijn verstrooidheid, wat de vermoedens bij mij vriendinnen al snel deden verdwijnen. Met mijn ambitie om schrijfster te worden, deed ik niets liever dan verhaaltjes en smoesjes te verzinnen en ik was er nog goed in ook.
Ik studeerde af. Eindelijk weg van school, eindelijk verlost van alle spanningen -die we ondertussen meer dan beu waren- en eindelijk het moment om onze relatie te openbaren. Ik denk dat het zelfs gemakkelijker was om een tijdmachine te maken dan dat. We maakten van de gelegenheid gebruik om op een schoolreünie alles op te biechten. Deze vond plaats in een grote zaal, met een podium, waar al mijn vrienden en al zijn collega's aanwezig waren. Bij onze aankomst vond men het vreemd dat wij samen binnenkwamen, maar toen we hand in hand het podium opklommen werd het muisstil. Alle spots waren op ons gericht en ik zag mijn ex-leraren kijken met bliksemende ogen toen we alles opbiechtten. Die blikken kende ik enkel van momenten waarbij ik de klas werd uitgestuurd omdat ik een of andere grap met hen had uitgehaald.
'Hoe konden ze dit ooit geheim houden? Hoe komt het dat niemand ooit iets merkte? Zouden we hem aanklagen? Heeft hij haar misbruikt of liet zij zich misbruiken?' De vragen waren van hun gezichten af te lezen en niemand wendde zijn ogen van ons af. Het leek wel of ze nog nooit een verliefd koppel gezien hadden, maar een paar tellen later begon iedereen te roepen en te tieren. Opstand. Dat is het juiste woord. Niemand ging hiermee akkoord. Ze begonnen vuile woorden naar ons te gooien en overal klonken er schimscheuten, maar na een tijd waren de woorden op en schakelden ze over op echte voorwerpen. Ik voel nog steeds de appel die tegen mijn scheenbeen werd gegooid, hoewel ik nooit zal begrijpen hoe die persoon aan een appel kwam.
Op een bepaald moment kon ik niet meer. De man die mij vroeger Latijn onderwees vergeleek mij met een hetaire die zelfs met haar eigen broer naar bed zou gaan voor geld. Ik barstte in tranen uit en rende weg. Hij, geschrokken en onvoorbereid, liep mij achterna, niet wetend waar naartoe.
Ik ben er zeker van dat als de voorbijkomende auto hem had gezien, dat we nog steeds aan het rennen zouden zijn. Rennen naar een mooie toekomst samen, rennen naar een plek waar we eeuwig samen kunnen zijn, weg rennen van ons verleden.
Vier dagen later werd hij begraven bij de kapel waar wij vele uren samen door hadden gebracht. Er was geen kat aanwezig, laat staan een mens. Enkel hij, de priester, de stilte en ik. Sindsdien sprak er zelfs niemand meer tegen mij, sindsdien ben ik alleen op de wereld. Als ik mijn ogen sluit zie ik hem liggen voor die auto: zijn lichaam, nog warm, met een strak, donker gezicht met uitgedoofde ogen. Het was een gezicht getekend door een catastrofe. De herinnering doet me huiveren. Ik heb besloten om niet verder te gaan, maar opnieuw te beginnen. Misschien was dit het zo befaamde lot. Misschien was het een straf van god. Misschien is liefde toch niet onvoorwaardelijk. Maar een ding beloof ik, ik beloof het jullie allemaal, op mijn bruiloft komt de hele onderwereld dansen.
 

Het lot-complot © Olja Rudic

Terug naar Schrijversweb 2008

Terug naar Schrijversweb

Terug naar Homepage