|
Hoe het toch in vredesnaam zo rampzalig kon eindigen, vroegen de mensen aan mij. Maar ik vond dat geen goede vraag. Was het niet beter ons af te vragen hoe het allemaal
begonnen was? Volgens mij vanwege de deurmat, maar het kon ook de knoflooklucht zijn geweest. In ieder geval hadden wij op een sombere novemberochtend een flinke woordenwisseling met die vrouw van hiernaast. Rick en
ik woonden net een week in de flat, toen wij haar tegenkwamen in ons gezamenlijke portaal van 3 bij 1,5 meter. 'Vjies, vjies', riep ze, terwijl ze naar onze deurmat wees. 'Mat moet weg.' Ik begreep haar
niet. We hadden die deurmat juist neergelegd om onze goede wil te tonen. Op de dag dat we aan het verhuizen waren, had ze ons namelijk al aangesproken en gezegd: 'Vorige buren nooit stofzuigen.' Rick spuwde
meteen ook maar zijn ergernis: 'Maar dan moet u ervoor zorgen dat het hier niet zo allerjegens naar knoflook stinkt. We ruiken het zelfs in onze slaapkamer.' Zoals meestal suste ik de zaak. Ik pakte de deurmat en
legde die aan de andere kant van onze voordeur en de buurvrouw beloofde voortaan minder vaak met knoflook te koken. Pas later begreep ik uit het boekje 'Islam voor dummy's', waarom zij geen deurmat wilde. Moslims,
waaronder onze Turkse buurvrouw, trekken in de moskee, maar ook thuis hun schoenen uit, terwijl wij Nederlanders ze op een mat vegen.
De vrede was getekend, maar niet voor lang. Eerst stonden alleen de schoenen van de buurvrouw voor de deur, maar later zagen we ook de schoenen van haar zoon en
schoondochter en de schoentjes van haar drie kleinkinderen. We hoorden ze dag en nacht tegen elkaar schreeuwen. Rick zag niets in een gesprek en nam wraak door onze stereo op tien te zetten. De zoon van de
buurvrouw, Ismat, wilde wél een gesprek en belde aan. Hij schreeuwde nog harder tegen ons, dan hij thuis tegen zijn kinderen deed. Opnieuw suste ik de gemoederen. Wij zouden de volumeknop terugdraaien en zij zouden
niet meer tegen elkaar schreeuwen.
Een tijdlang ging het goed, zelfs zo goed, dat we elkaar begonnen te groeten. Rick werd daardoor overmoedig en vroeg de buren een weekend op onze kat te passen. Bij onze
thuiskomst, excuseerde de buurvrouw zich tientallen keren. 'Poesj weggelopen.' We vonden Minoes terug, ze lag dood tussen de struiken onder bij onze flat. We brachten haar naar de dierenarts. Hij zag dat haar
tandvlees blauw was, wat er op kon wijzen dat ze vergiftigd was. We verdachten allebei meteen Ismat, waarop de dierenarts vertelde dat moslims katten als onreine dieren bestempelen en ze nooit in hun huis
binnenlaten. In landen zoals Turkije leven katten op straat en die kunnen hooguit een rotschop krijgen. We belden de politie, maar die deed niets, ook niet na ons tweede telefoontje toen Ismat met een levend schaap
op zijn nek de lift uitkwam. We hoorden hoe het beest op het balkon werd gevild. Het blaten en blèren van het schaap weergalmde tussen de flats. De agent zei alleen: 'Het zijn illegale praktijken meneer, maar we
kunnen hier weinig tegen doen.' Ismat bleef ons groeten en grijnsde daarbij al zijn tanden met gouden vullingen bloot. Wij zwegen of keken de andere kant op. Ook zijn kinderen groetten ons. Achter onze rug om
hoorden we ze lachen, tenminste we dachten eerst dat ze lachten. Ze bleken echter als varkens te knorren. Later spuugden ze zelfs op de grond als ze ons passeerden. In die tijd lazen we in de krant dat een Iman
homoseksuelen met varkens vergeleek. Na alles wat we al hadden meegemaakt met de buren, verbaasde het ons dat ze toen pas toespelingen maakten over onze seksuele geaardheid. Waarschijnlijk dachten ze eerst dat we
studenten waren, die een flat deelden. In de beginperiode waren we op onze hoede, maar na verloop van tijd werden we onvoorzichtig. De afscheidskussen op de parkeerplaats voor de flat of de vele feestjes met onze
opvallend geklede vrienden, iets zal hen wel opgevallen zijn. Rick dacht eerst dat het zo'n vaart niet zou lopen. Wij behoorden net als zij tot een minderheidsgroepering, die staan elkaar toch niet naar het leven?
Toch wel bleek achteraf.
In augustus reed ik achter het busje van de buurvrouw en haar zoon aan. Ze waren op weg naar hun geboortedorp in Turkije. Rick was toen al een maand geleden gestorven. Hij
brak zijn nek door een fatale val vanaf ons balkon van zevenhoog. Vreemd was dat hij op zijn hoofd landde. Ik was die avond weg, maar ik denk dat Rick dronken thuis was gekomen en de voordeur open had laten staan.
Ismat kon zo onze flat binnensluipen om hem vanaf het balkon naar beneden te duwen. De politie deed uitgebreid onderzoek, maar vond geen bewijs voor mijn vermoeden. Ik zag daarom maar één oplossing; het recht in
eigen handen nemen. Ik zocht daarvoor een geschikt moment. Dat kwam toen de familie op vakantie naar Turkije ging. Ze vertrokken 's morgens vroeg in een witte bus en ik volgde hen in onze Fiat. De remkabels van het
busje sneed ik door toen Ismat op een parkeerplaats bij Den Bosch was gestopt. De familie lunchte op dat moment in het wegrestaurant. Ze stapten een half uur later weer in en nog geen kilometer verderop stortte de
bus van een viaduct af. Ismat was op slag dood en de rest van de familie ernstig gewond. Niemand van hen keerde terug naar de flat.
Of er nu een einde was gekomen aan alle ellende, vroegen de mensen. Was dat
maar waar. Het kon allemaal nog veel erger. Dat bleek toen de nieuwe buren arriveerden; Amsterdammers, geboren en getogen in de Jordaan. Hoe het met hen begon? Ik weet het niet meer precies. Volgens Cas, mijn nieuwe
vriend, begon de ruzie omdat wij onze auto op hun plaats parkeerden. Zelf dacht ik dat de vele stinkende vuilniszakken van de buren, die een week of langer op hun balkon bleven staan, de aanleiding waren.
|
|