|
Kleinheidswaanzin
allerbelabberdst kruipt zij het gespuis tegemoet loopt haar laatste dagen havenloos bij elkaar
als chocolade-ijs dat smelten zal, door een donderstraal in twee gespleten
ze oogt altijd mooi hij die haar betalen kan voelt zich vast even hemels koning in haar web van hel
zijn portefeuille tovert hem de mooiste dromen en lipstick kust zijn ego neonlicht een masker van de echtheid
hij frutselt haar laatste fatsoenlijkheid weg honing op een lappendeken enkel haar schaduw leeft
|