|
Banket der liefde
Eerst zacht, stil verkennend Brachten ons korter bij elkaar. Dan springen als woeste beesten,
proevend van elkaar.
Mijn ogen uitgerukt Mijn tong verslonden Mijn hart in stukken Een waar festijn.
Daarna niet meer dan geraamten Op een bed van verdriet Waarbinnen gevangen de zielen.
Uiteindelijk zwemmen naar het licht Nieuw vlees en een hart ontvangen Om aan een nieuw banket te beginnen.
Haar schilderijen
Haar schilderijen hangen op in het museum, schreeuwende landschappen en verhalen.
In de grootste spot, die haast verblindt, leeft een gezicht met zwarte ogen die staren.
Haar minnaar komt er elke dag, zit verstard op een bank, en observeert de vierkanten aan de muren,
de poorten naar haar ziel.
Zij leeft in elk portret en ontwaakt bij zijn aanblik, zijn ogen gericht op haar vloeiende penstreken.
Hij streelt haar potloodlijnen, haar kleuren en vormen, die reizen als planeten in haar universum.
Zij leeft in hem, hij leeft in haar. Zij leven voor elkaar.
Mijn kind dat slaapt
Mijn psychose slaapt, door de pilletjes opgezogen. Een sluimerende slaap, waarin ik gebogen.
Mijn buikje is rond, dik door de pilletjes gemaakt. Mijn binnenste aangeraakt en bevallen van iets ongezond.
|