|
In één nacht was alles anders; de lucht,
het water rond de zinken teil, de lauwe grond. Wind had zijn scherpe tong verloren en in de bomen waren vogels komen wonen met wie mijn moeder zong. Lachend sloeg ze de was uit. Feest moest het zijn;
er zwaaide iemand met een vlag.
Zo zou verlangen voortaan altijd zijn;
een waslijn, merels, lauwe spatten, gebreide jurk en blote armen. Voor eeuwig zonder woorden zou ik de beelden blijven zien, de wonderen voorgoed gevangen, nooit werd het meer
zo sprakeloos, zo hevig Koninginnedag.
|