|
'Waarom zijn alle knappe mannen altijd getrouwd?' Petra bekeek de politie-inspecteur ongegeneerd van kop tot teen en liet haar blik even rusten op de ring aan zijn hand. "Kunt u
antwoorden op de vraag, mevrouw Pattyn?" Ook al had de inspecteur geen enkele moeite om haar gedachten te raden en voelde hij zich een moment ongemakkelijk, hij zou het niet laten merken. "Het is juffrouw,
inspecteur. Ik ben sinds vorige maand officieel gescheiden." Petra keek geamuseerd naar de lichte blos op zijn wangen. "Maar om op uw vraag verder te gaan, ja, ik heb Carolien gisteren nog gezien. We zijn samen wat
gaan drinken na het werk." Verveeld dacht Petra terug aan gisteren. Ze was nog geen tien minuten op kantoor geweest toen Carolien haar in de gang had aangesproken. Ze wilde absoluut wat gaan drinken, want ze had
groot nieuws. Een verrassing was het niet geweest. Het was al jaren hetzelfde. Zij en Carolien waren helemaal geen vriendinnen. Collega's, die elkaar begroeten in de gang, meer niet. Maar ergens in hun carrière was
stilletjes de vervelende wedstrijd ontstaan om elkaar te overtroeven. Kocht de ene een nieuwe broek, verscheen de andere de volgende dag in een nieuw mantelpakje. Maakte de ene promotie, sloofde de andere zich uit
tot ze nóg beter was. Dus nu de scheiding van Petra algemeen bekend was, had Carolien ongetwijfeld dé perfecte man aan de haak geslagen. "Goed, we gaan, maar ik kan niet lang blijven", had ze duidelijk tegen haar
zin geantwoord. Na zoveel uitvluchten bij eerdere uitnodigingen wist ze dat nee geen optie meer was. Het kon Carolien niet schelen. Zolang die haar verhaal maar kon doen. En toen ze enkele uren later een tweede glas
wijn bestelden, begon ze voor de zoveelste keer opnieuw. "Hij heet Jacques en hij is ongelooflijk. Enne… hij zit er warmpjes in." Tot grote ergernis van Petra had Carolien triomfantelijk een gigantische ring
getoond. Alsof ze daar had kunnen naast kijken. "Proficiat". Ze had geen enkele moeite gedaan om de sarcastische toon de onderdrukken. Geërgerd had ze Carolien bekeken. Die zag er, zelfs na een lange werkdag, nog
steeds uit als een topmodel. Op haar witte mantelpakje zat geen veegje. Haar kapsel was perfect en haar make-up leek zo-even te zijn aangebracht. Verveeld had ze aan haar eigen kapsel gevoeld dat plat tegen haar
hoofd viel. Haar broek was gekreukeld en in de spiegel op het toilet merkte ze zwarte make-upvegen onder haar ogen. Het leek erop dat Carolien de stilzwijgende wedstrijd voorgoed had gewonnen. Toen ze even later
uit elkaar gingen, leek Petra verdoofd. Of het door de niet aflatende lofzang over Jacques kwam of door de drie glazen wijn wist ze niet. Ze wist alleen dat perfecte Carolien naar haar Jacques ging om samen te eten,
terwijl zij naar een leeg huis liep waar de echo's van harde woorden en scheldpartijen nog nagalmden.
Ze knipperde even met haar ogen en richtte haar aandacht weer op de inspecteur. Ze merkte dat hij haar geconcentreerd aankeek met een blik waaruit ze niks kon opmaken. Geloofde hij haar
niet? "Vraag maar na in het café inspecteur, ze hebben ongetwijfeld een gigantische ring zien fonkelen. Daarachter zat Carolien en daarnaast zat ik. Tot een uur of elf. We hebben aan de deur van het café afscheid
genomen en zijn toen elk onze eigen weg gegaan. Ik was met de wagen, zij was te voet, ze woont maar enkele straten verder." Ze zag de inspecteur zijn wenkbrauwen fronsen. "Ik heb nog aangeboden om haar met de auto
weg te brengen, maar zij wilde niet", ging ze in de verdediging. "Ik weet ook niet waarom ze langs die donkere steeg is gelopen. Ze had ook de grote baan kunnen volgen. Dan was het misschien niet gebeurd." "Over
welke steeg hebt u het?" De inspecteur keek haar nog steeds onderzoekend aan. "Oh eh, ik ging er gewoon van uit dat de moordenaar van Carolien haar daar had staan opwachten." Ze had haar tong er wel kunnen afbijten.
Toen de inspecteur even later afscheid nam was zijn toon beleefd, maar zijn blik ijzig. "We spreken elkaar nog, juffrouw Pattyn."
Opeens doodmoe ging Petra naar de keuken. Koffie, ze moest koffie hebben. Zodat ze kon nadenken. Ze goot water in het apparaat en deed er koffiepoeder bij. Genoeg, hij moest straf zijn.
Terwijl ze luisterde naar het gezellige geluid van de pruttelende koffiezet, overliep ze het gesprek met de inspecteur opnieuw. Ze was zo goed begonnen. Zelfzeker, vastberaden. Precies zoals ze zich had voorgenomen.
Maar de inspecteur had zich niet uit het veld laten slaan. Waarom was ze halverwege het gesprek zo beginnen stuntelen? Vermoedde de inspecteur iets? Had hij de aarzeling in haar stem gehoord?
Waarom had Carolien ook zo moeten doordrammen over haar fantastische Jacques, terwijl haar scheiding nog zo vers in het geheugen lag? Had ze maar één keer gevraagd hoe het nu met haar ging,
dan was alles misschien anders gelopen. Dan waren haar stoppen misschien niet doorgeslagen.
Voor de zoveelste keer speelde de film van de vorige avond zich voor haar ogen af. Hoe ze Carolien had overtuigd om in de auto te stappen, want 'het was toch veel te gevaarlijk zo laat
alleen op straat'. Carolien had er nog lachend op gereageerd dat ze toch niet in Chicago woonden maar ze was toch ingestapt. Dan had ze dat maar niet moeten doen. Dan had ze maar niet fijntjes moeten vermelden dat
Petra eigenlijk niet welkom was op de trouwpartij, want dat Jacques liever geen collega's van haar erbij had. Hij vond het zinloos, want met al zijn geld was het voor Carolien toch niet meer nodig om nog te gaan
werken. Petra had haar handen om het stuur geklemd en recht voor zich uit gekeken. Opeens waren haar gedachten razendsnel gegaan. 'Stomme trut', had ze gedacht. 'Stomme trut. Hou erover op. Jij hebt alles wat ik
wil. Ik heb niks. Ik heb gewoon niks. Maar jij, jij leeft alleen maar voor die stomme, rijke Jacques. Ik heb ten minste nog een eigen leven'. En plots had die laatste gedachte een heel andere, morbide betekenis
gekregen. 'Ik heb ten minste nog een leven. Jij straks niet meer'. Petra voelde een ijskoude rilling lang haar ruggengraat lopen die haar tegelijkertijd een akelig genoegen schonk. 'Ja, ik heb nog een leven.' Ze gaf
plankgas en reed een donkere steeg in. "Wat doe je nou?" had Carolien nog geroepen. Eindelijk vraagt ze iets aan mij, had Petra daar grimmig op gedacht. Maar je bent te laat. Te laat. Het had haar verbaasd
hoeveel kracht de angst in Caroliens stem haar gaf. Ineens had ze zich oppermachtig gevoeld. Ineens was ze niet meer de mindere van Carolien met haar perfecte leven. Nu was Carolien afhankelijk van háár. Niet
Carolien, zíj zou deze keer hun stille wedstrijd in het eindeloze overtroeven winnen. Opeens zag ze het allemaal klaar en duidelijk. Het was zo simpel. Ze remde bruusk en met een ongeziene kracht haalde ze uit. Al
haar woede, al haar afgunst lag gebundeld in die vuist die Carolien keihard in het gezicht trof. Een tel later zag ze het bloed uit diens neus stromen, over haar mond, langs haar nek, over haar lichaam. Ze schepte
er een vreemd plezier in te zien hoe Caroliens dure, witte jasje veranderde in een smerige vod. Ze stapte uit, liep als een robot rond de auto en sleurde Carolien van de passagierszetel. Alsof iemand anders haar
gedachten had overgenomen en zij enkel kon gehoorzamen trok ze wild aan Caroliens haren waardoor ook die in een warboel veranderden. Ze gooide haar wild tegen de grond en was net van plan haar zo achter te laten,
toen ze een vreselijk gekraak hoorde. Alsof een hypnotiseur voor haar ogen in zijn vingers knipte kwam ze terug in de werkelijkheid. "Wat heb ik gedaan, oh god, wat heb ik gedaan, Carolien, het…." De zin bleef even
nazinderen in de lucht rondom haar en toen werd het muisstil in de verlaten steeg. Alsof heel de stad zijn adem inhield, alsof alle verkeer even stillag en alle stemmen even verstomden. Toen zag Petra het stroompje
bloed uit Caroliens mond komen en langzaam langs haar wang naar beneden glijden. Haar nek lag vreemd gedraaid waardoor het leek of haar hoofd niet langer bij haar lichaam hoorde. In één seconde besefte Petra dat
Carolien dood was. Ze moest tijdens de val met haar hoofd op het trottoir zijn beland en zo haar nek hebben gebroken. Eén verschrikkelijk moment kon Petra zich niet meer bewegen, niet meer denken, niet meer ademen.
Wat had ze gedaan, wat had ze toch gedaan, dit had ze niet gewild, ze had haar enkel een lesje willen leren, wat had ze toch gedaan… En toen kwam ze terug tot zichzelf. 'Ze moet hier weg', dacht ze. 'Alle sporen
uitwissen. Ik ben geen moordenaar. Ze is gewoon ongelukkig gevallen. Haar lot wilde het zo. Daar heb ik niks mee te maken. Kan ik niks aan doen. Ze moet hier weg. Niet in mijn auto, dat laat sporen na. Hoe dan? Nee
wacht, misschien kan ik enkel haar portefeuille nemen. Dan denkt iedereen dat ze beroofd is. Ja, dat moet ik doen. Niemand zal ooit denken dat ik er wat mee te maken heb'. Razendsnel nam ze de handtas van Carolien,
stapte in haar auto en raasde de steeg uit. 'Als ik nu geflitst word, heb ik zeker een superboete'. Later had ze zich over die gedachte verbaasd. Alsof ze op dat moment niet wat anders aan haar hoofd had dan
superboetes. Toen ze langs het kanaal reed, draaide ze haar raampje omlaag en smeet de handtas met een sierlijke zwaai het water in. Daar vindt niemand ze ooit terug. Niemand. Nooit.
Ze nam een slok koffie en probeerde rustig na te denken. 'Ik hoef me geen zorgen te maken. Ik ben geen moordenaar. Ze is gewoon gevallen'. Maar de blik van die inspecteur liet haar niet los.
'We spreken elkaar nog', had hij gezegd. Rustig, koel. Opeens wist ze het. Hij had naar haar gekeken als naar een moordenaar. Hij wist het.
Nog geen minuut later werd het huis akelig verlicht door de blauwe lampen van een politiewagen. Ze hoorde remmen piepen en banden stoppen in het grind op haar oprit. Toen de bel rinkelde,
kon ze niet anders dan de deur openmaken. Voor haar stond de inspecteur, die opeens niet meer zo knap leek. "Juffrouw Pattyn, zou u even met ons willen meekomen, we willen u graag een paar vragen stellen." Petra
knikte. Ze wist dat het voorbij was. Ze zouden haar bestempelen als een moordenaar, opsluiten, haar ex zou blij zijn dat hij van haar af was en iedereen zou nu begrijpend knikken en hem groot gelijk geven als hij
over de scheiding begon. Ze keek de inspecteur aan. "Hoe…" Hij onderbrak haar. "Antwoord enkel op de vragen, geef nooit meer informatie dan gevraagd wordt. Dat leren ze advocaten en dat leren advocaten hun cliënten.
Wij hadden tegen niemand gezegd dat Carolien De Schuyver in die steeg was gevonden. Dat wist niemand, de pers niet, de burgers niet. U wist het. Bovendien zag een vol café mevrouw De Schuyver bij u in de wagen
stappen terwijl u zei dat ze te voet was gegaan. Liegen over iets waar tientallen getuigen op toekijken, is niet zo slim, juffrouw Pattyn. Een vrouw als Carolien De Schuyver trek nu eenmaal veel aandacht." Petra
voelde haar knieën slap worden. Zelfs na haar dood, waarnaar ze vuil als een landloper was vertrokken, had Carolien gewonnen. Zij was de mooie vrouw die op een verschrikkelijke manier om het leven was gekomen. Zo
zou ze altijd herinnerd worden. Mooi, jong, het tragische slachtoffer van een vreselijke misdaad.
Petra zou voor altijd een moordenaar blijven. Het afschuwelijke monster achter de moord op de mooie vrouw.
|
|