Woordenstroom
Schrijvers
Verhalentop
Beoordeling BSN
Beoordeling Blok
Schrijversweb
Prozawedstrijd
Poëziewedstrijd
Debutanten
In eigen beheer
Van A-Z
Links
Koen Vlaeminck

Ik heb het leven lief

Niet één jaar ontkwam ik eraan. Weken, of zelfs maandenlang kluisterde een depressie me voor het grootste deel van de dag aan mijn bed. Op mijn rug droeg ik het gewicht van wel duizend kwelduivels. Mijn maag verkrampte van het dozijn pillen dat ik dagelijks moest slikken.
Ik was mijn baan kwijt, en welke werkgever wil een gemoedszieke en weerloze man van vijfenvijftig die na de minste krachtsinspanning uitgeteld is?
Ik vreesde dezelfde weg op te gaan als mijn moeder. Ze lachte zelden. De dag na mijn plechtige communie botste ik tegen haar levenloze lichaam. Ze had zich op zolder aan de nok van het dak opgehangen.
Hoewel mijn aanblik niet langer dan een vingerknip had geduurd, kwam dat gruwelijke beeld me nog jarenlang voor ogen. Vader en familieleden repten met geen woord over wat haar overkomen was; ze was dood, en over de doden niets dan goeds. Mijn kinderlijke fantasie - gevoed door enkele Agatha Christie verhalen - sloeg op hol. Moeke was verkracht en vermoord, waarna de moordenaars haar dood op zelfmoord wilden doen lijken; ik was er zeker van. Ze hield van me, en ze zou me nooit verlaten hebben zonder iets te zeggen. Pas veel later aanvaardde ik dat haar doodsverlangen groter was dan haar liefde voor mij. Ik kwam ook te weten dat een dode zijn ontlasting de vrije loop laat. Het was een antwoord op mijn vraag waarom haar onderbroek was afgezakt en als een draagtas aan haar schoentippen bengelde. Vader vertelde me dat ze volgens de dokters een niet te genezen geestesziekte had en dat de dood haar verlossing had gebracht. 
Mijn psychiater, dokter Goedman, had nooit één ogenblik getwijfeld aan de ernst van mijn aandoening; ik was hem er dankbaar voor. In tegenstelling tot mijn familie en kennissen begreep hij welk onuitsprekelijk lijden ik tijdens een depressie moest doorstaan. Toen ik hem vroeg of mijn zwartgalligheid misschien een erfenis van moeder was, antwoordde hij onomwonden dat ik 'erfelijk belast' was. Het was tijdens datzelfde gespreksuur dat hij me voorstelde om me nog vlug in te schrijven voor een gespreksavond met elf andere psychiatrische patiënten. Jaap Scherphuis zou de gesprekken leiden. Hij was volgens Goedman een nog jonge, maar bekwame psychotherapeut met wie hij goede ervaringen had.

Het was precies zoals de dokter het me had uitgelegd, toen ik een week later de bus uitstapte om naar Scherphuis te gaan. Rechts van het bushokje zag ik honderd meter verderop de verlichte gevel van een witgeverfd, alleenstaand herenhuis. Het puntdak en de vier spitse dakkapellen deden me denken aan een klein kasteel.
Terwijl ik het huis naderde, viel me de perfecte staat op van gevel en ramen, en wie beter dan een gewezen schilder-gevelrestaurateur zoals ik, kon dat beoordelen? Ook de winterse voortuin lag er onberispelijk bij.
Ik belde aan. Met mijn wijsvinger streelde ik de lange manen van de onderaan in de deur uitgesneden leeuwenkoppen. Twaalf telde ik er. Niet één was dezelfde. Ik vroeg me af of ze misschien de moed symboliseerden die nodig was om aan jezelf te willen werken.
Mijn reiskoffertje met daarin een thermosfles hete thee, enkele stukken fruit en wat leesvoer, begon zwaar door te wegen. Ik belde nog een keer en keek op mijn horloge. Halfacht. Boven de daken verdween een laatste streepje rood. Een ijzige wind striemde in mijn nek. 
Zoals op elke afspraak was ik ook nu weer te vroeg. Ik hoopte dat mijn overdreven stiptheid niet beloond zou worden met een halfuur wachten in de vrieskou.
Toen ik mijn koffertje wilde neerzetten om door een van de ramen naar binnen te kijken, ging de deur open. Ik keek geschrokken in de donkere oogkassen van een oude vrouw. De schuin invallende stralen van de halogeenspots accentueerden de diepe groeven in haar verweerde gezicht. Haar witgrijze kapsel lichtte op als een dot gesponnen suiker.
'Goedendag, mevrouw', zei ik. 'Ik kom voor de gespreksavond.'
Ze gaf geen krimp en bleef me zwijgend aankijken. Ik schraapte mijn keel en maakte aanstalten om op luidere toon te herhalen wat ik net gezegd had. Langzaam draaide ze haar hoofd van me weg terwijl haar ogen mijn blik nog even vasthielden. Uit de buidelzak van haar voorschoot diepte ze een verfrommeld papiertje op.
'Naam?'
'Pieter Vermeulen', antwoordde ik geschokt door haar ongemanierdheid.
'Kom!', beval ze.
Zonder opzet duwde ik de zware voordeur met een harde klap achter me dicht. Ik vreesde voor een bitsige opmerking, maar ze reageerde niet.
Voor de eerste deur rechts hield ze halt.
'Dit is de vestiaire. Achter de volgende deur zijn de toiletten en de samenkomst is het op 't eind van de gang rechts.'
Vriendelijk was anders, dacht ik. Ze keerde haar rug naar me toe en ging de trap op. Ik hing mijn jas weg, en in het deurgat van de vestiaire zag ik haar op de overloop van de eerste verdieping een deur binnengaan.
Haar verschijning had me in verwarring gebracht. Ik vroeg me af wie zij was, en wat erin haar omging? Had ze medelijden of minachting voor mensen zoals ik die je bezwaarlijk als geslaagd in het leven kunt beschouwen?
De deur van het vertrek waar ik moest zijn, stond op een vingerbrede kier die een lichtstreep op het deurkozijn projecteerde. Door de nauwe opening zag ik dat de vloer bezaaid lag met kussens en matrassen.
Ik duwde de deur open en keek op het achterhoofd van een kale man die met een sigaret in zijn hand voor het raam stond. Toen ik de kamer binnenging, bleef hij onverstoord naar buiten kijken, hoewel er volgens mij in de onverlichte achtertuin niets te zien was.
Keelschrapend stapte ik naar hem toe. Ik hield achter zijn rug halt, waarop hij met een ruk zijn hoofd draaide. Had hij me werkelijk pas nu gehoord of was het pure aanstellerij? Hij keek me onverschillig aan.
'Ik heet Pieter', zei ik, en ik stak mijn hand uit.
Zonder de minste vriendelijkheid beantwoordde hij mijn gebaar met een slappe hand. Zijn ingevallen gezicht had een geelgrauwe kleur. Hoewel ik vermoedde dat hij ernstig ziek was, kon hij niet op mijn sympathie rekenen. Waarom zei hij op zijn beurt zijn naam niet? Zonder hem nog een blik te gunnen, ging ik naast de deur op een van de kussens zitten en keek de kamer rond. Buiten een aftandse gasbrander die heet water door de gietijzeren radiators joeg, hing er niets aan de muren. In een hoek stond een bord met schrijfbladeren.
Ik had zin in een kop thee en verwenste mezelf omdat ik mijn koffertje in de vestiaire vergeten had. Straks dan maar tijdens de pauze, als die er is, dacht ik. 
Na een gespannen stilte van tien minuten hoorde ik dat er werd aangebeld. Zoals ik gehoopt had, was het een van de andere deelnemers. Het was een man van midden twintig. Zijn lange haren bedekten een deel van de littekens in zijn gezicht. Hij stak zijn hand naar me uit en trok daarbij zulke huiveringwekkende grimas dat ieder woord om hem te begroeten in mijn mond verstomde.
Een voor een belden de deelnemers aan, en iedere keer hoorden we de oude vrouw de trap af- en opgaan.
Sommige deelnemers sleepten in het voorbijgaan een wolk van alcoholdampen achter zich aan. Op enkele uitzondering na gingen ze zitten zonder iemand te groeten.
'Jullie zijn voltallig', sneerde de vrouw opeens in het deurgat, kijkend naar het briefje in haar hand. 'Meulenaars is gisteren gestorven.' Nog voor de langharige jongeman een vraag had kunnen stellen, was ze weer weg.
Ik telde, mezelf inbegrepen, elf deelnemers, onder wie drie vrouwen. Verspreid over de kamer was iedereen op een kussen gaan zitten. Niemand bleek een van de anderen te kennen, niemand die een woord sprak. Zelf had ik de durf niet om mijn mond te openen. 
Om halftien was onze therapeut nog altijd niet opgedaagd. Geen mens die er een opmerking over maakte. Ik vroeg me af wat er in al die hoofden omging. Misschien stelden ze zich dezelfde vraag… of toch niet? Sommige keken zo apathisch voor zich uit dat het leek of ze een lobotomie hadden ondergaan, iets wat mijn dokter me had voorgesteld na mijn zoveelste zelfmoordpoging. Van zo'n verminking makende ingreep wilde ik echter niet weten.
In de hoek zat iemand met een zenuwtrek wat me erger leek dan een Tantaluskwelling. Hij balde met een vlugge beweging zijn vuisten, trok zijn wenkbrauwen op en stak aanvallend zijn kin naar voor. Ik hoopte dan iedere keer voor hem dat het gestopt was; dat het was als de hik die komt en gaat. Helaas, wat had die sukkelaar misdaan om zulk kruis te moeten dragen? Het deprimeerde me niet, maar het wakkerde weer dat opstandige gevoel aan tegen de Man die slechts één woord hoefde te spreken om zieken te genezen en blinden te laten zien.
In de kamer hing een beklemmende stilte. De sigarettenrook stokte mijn adem. Het was al de derde maal dat ik de ogen van die kale man op mijn wang voelde branden. Weer draaide ik mijn hoofd in zijn richting, maar in plaats van ook deze keer van me weg te kijken, scherpte hij zijn blik. Ik had geen verweer tegen zulke schaamteloosheid en keek de andere richting op. Door het zijgevelraam zag ik in het licht van een lantaarnpaal hoe een zotte wind hagel en poedersneeuw koprollend over de stoep voortdreef.
Een gekletter trok mijn aandacht. De wind was gedraaid en beukte tegen de ruiten. Niemand die naar buiten keek. Alleen de langharige jongeman en een vrouw keken heel even op. Toch was ik niet verbaasd over de apathie die de meesten toonden voor wat er rondom hen gebeurde. Vorige zomer joeg de warmte me het huis uit. Ik was al wekenlang depressief. Pas toen iemand me er een opmerking over maakte, merkte ik dat ik mijn gewatteerde winterjas droeg.
Voorzichtig blikte ik weer in het rond. Ik vroeg me af of alle deelnemers door dokter Goedman gestuurd waren. Over mij zat een dertiger die me al evenmin een goed gevoel gaf. Hij zat al heel de tijd in lotushouding. Minutenlang staarde hij iemand aan tot hij weer voor zich keek. Hoewel ik er niet zeker van was, had ik de indruk dat hij nu en dan schuinse blikken van verstandhouding naar de kale man wierp. Dichtbij de gaskachel zat een vrouw met gebogen hoofd, stilletjes huilend.
Ik vatte de moed op om mijn buurvrouw aan te spreken. Ze heette Maria; een knap gezicht met mooie, expressieve ogen. Al twee- of driemaal had ze de kamer verlaten. Een minuut later kwam ze dan zichtbaar ontspannen weer naast me zitten. Toen ik de opmerking maakte dat ik het gevoel had alsof ik in de wachtkamer van een oncoloog zat, keek ze me verbaasd aan en haalde ze haar schouders op. 'Ach, we komen allemaal voor hetzelfde', zei ze. 'Of heeft dokter Goedman jouw toekomst rooskleuriger voorgesteld?'
Ik keek haar onbegrijpend aan, waarop ze weer opstond. Deze keer keek ik haar na en zag hoe ze stiekem haar mouw over haar hand trok en de deurklink vastgreep. Pas enkele minuten later kwam ze terug en ging ze op een andere plek zitten.
Scherphuis liet op zich wachten. Buiten de langharige jonge man was er niemand die er een opmerking over maakte. Ik gebaarde hem naast me te komen zitten, wat hij zonder aarzelen deed.
'Een geladen lucht hier', fluisterde ik met een geforceerde glimlach.
Hij draaide zijn hoofd naar me, kruiste zijn armen en zei: 'Ze hebben voor vannacht storm voorspeld.'
Hoewel we een meter van elkaar zaten, ontkwam ik niet aan de onwelriekende walmen die zijn mond ventileerde. 
'Ben jij ook in behandeling bij dokter Goedman?', vroeg ik botweg.
Hij knikte. 'Al sinds mijn auto-ongeluk. Honderd gram hersenweefsel hebben ze in het ziekenhuis uit mijn kop geplukt. Maar de dokters-'
'Sttt…heb je dat gestommel ook gehoord?', fluisterde ik opeens met gestrekte wijsvinger.
Hij kantelde zijn hoofd achterover, staarde drie tellen lang naar het plafond en zei: ' 't Is de wind. Ze hebben voor vannacht storm voorspeld.'
Weer hoorde ik een geluid alsof er iets tegen de gevel of over het dak werd voortgesleept. Mijn nieuwsgierigheid dwong me om uit te zoeken wat er gaande was.
'Ik moet dringend naar het toilet', fluisterde ik. 'Vertel straks verder.'
Ik ging de kamer uit, trok de deur achter me dicht en duwde in de gang op de lichtschakelaar. Roerloos luisterde ik naar het huilen van de wind die in kracht was toegenomen. Als een panfluitspeler blies hij zijn langgerekte adem over de nok van het dak.
Het gestommel op het dak was opgehouden. De kilte van de gang liet zich voelen. Ik had zin in een warme kop thee, wat me weer aan mijn koffertje deed denken. Het leek me echter niet netjes om voor die jonge kerel zijn neus mijn thee te drinken zonder te vragen of hij ook een slok wilde, maar gezien zijn weerzinwekkende mondhygiëne was daar geen denken aan. Dan maar vlug in de vestiaire, dacht ik.
Ik had de deur wagenwijd opengezet opdat een toevallige passant niet zou denken dat ik aan het snollen was. De schraperig ingestelde schakelklok doofde het licht in de gang.
Op de eerste verdieping hoorde ik binnenskamers de oude vrouw tegen iemand uitvallen. Een man schreeuwde het uit. Ik kon niet verstaan wat er geroepen werd. Daarop verstomden de stemmen. Aandachtig luisterde ik naar fluittonen van de wind.
Een deur die plots openging, deed me opschrikken. 'Ik heb er niets mee te maken', hoorde ik de vrouw nu duidelijk zeggen.
In de gang ging het licht aan. 'Doe wat ik je gevraagd heb!', snauwde de man. 'Je bent ervoor betaald.'
Wat me bezielde weet ik niet, maar ik doofde het licht in de vestiaire en zette de deur op een filterdunne spleet. Ik zag haar de trap afgaan en de toiletruimte binnen- en buitengaan. Uit de buidelzak van haar voorschoot nam ze een sleutel en ging voor de deur van onze samenkomstkamer staan. Even keek ze links en dan rechts, waarop ze het slot bijna geruisloos overhaalde.
Met nijdige passen stapte ze naar me toe. Ik was ervan overtuigd dat ze mijn spiedend oog had opgemerkt. Geen kant kon ik nog uit. Met een klap duwde ze de deur voor mijn neus dicht, waarop ik haar hoorde weggaan. Ik haalde opgelucht adem en ontspande mijn van angst verstijfde ledematen.
De naaldfijne lichtstraal die door het sleutelgat naar binnen viel, ging verloren in de duisternis rondom mij. Ik gunde mezelf enkele ogenblikken om te bekomen en vroeg me af waarom ik zulke angst voor dat mens had. En wie kon me zeggen wat hier gaande was? Was het wel verstandig geweest van Goedman om zoveel geestelijk wrakhout bij elkaar te sprokkelen? 
De lichtstraal uit het sleutelgat was plots verdwenen. Ik stak het licht in de vestiaire aan, nam mijn jas en ging voorzichtig de donkere gang op. De wind huilde almaar harder. Op de tippen van mijn schoenen sloop ik naar de voordeur. Ik slaagde erin om me op mijn smalst naar buiten te wringen en de deur te sluiten zonder ze te laten dichtklappen.
Een misstap op de met ijskorrels bedekte dorpel deed me languit op mijn buik vallen. Als verlamd bleef ik liggen. Ik had mijn ellebogen flink bezeerd en de wind zandstraalde mijn nek en gezicht. Verschrikt keek ik voor me uit. Ik dacht dat het schuin invallende lamplicht me parten speelde, maar toch kon ik me niet van de indruk ontdoen dat de leeuwenkoppen me met een vernietigende blik aankeken. Ik schreeuwde het uit. Krampachtig trachtte ik overeind te komen. Hadden de vele depressies en de karrenvrachten pillen die ik al jarenlang slikte mijn geest verwoest? Was dat het vreselijke einde dat God voor mij bedacht had, de God die nooit thuis gaf?
Onder de deur verscheen een streepje licht. Ik keek door de brievenbus en hield me klaar om me achter de dichtstbijzijnde struik te verbergen. Mijn hart bonsde in mijn keel. De oude vrouw kwam de trap af. Weer nam ze uit de buidelzak van haar voorschoot een sleutel en aan de linksdraaiende beweging van haar hand te zien, ontgrendelde ze de deur.
Ik kwam kreunend overeind en vervolgens liep ik langs de rechterzijgevel naar een van de ramen. Gelukkig had ik me voorbereid op het ergste, maar wat ik toen zag, maakte me in enkele ogenblikken tien jaar ouder.
Onder de klink lag de langharige jonge man met zijn gezicht tegen de deur en zijn arm op zijn hoofd. De andere deelnemers lagen elk in een aparte houding, slordig verspreid over de plankenvloer. Niemand gaf nog een teken van leven. De man die nog maar enkele minuten geleden in lotushouding tegenover me had gezeten, staarde nu met opengevallen mond en uitgedoofde ogen naar het plafond. Zijn armen leken de vrouw die tegen hem aanleunde te omhelzen. Het was me echter niet ontgaan dat haar schouder bloot was en haar kleren gescheurd.
Ik moest hulp halen. Het dichtstbijzijnde huis kon ik bereiken via de achtertuin. Ik rende naar het tuinpoortje met in mijn rug het zwakke licht dat door het raam scheen. Weer viel ik, en weer had ik me flink bezeerd. Terwijl ik trachtte overeind te komen, keek ik naar de achterzijde van het huis. Tot mijn ontzetting zag ik de schaduwfiguur van een man die door een van de klapramen van het puntdak klauterde. Naast het raam lag op het dak een ladder die tot aan de schoorsteen reikte.
Ik kon geen woord uitbrengen. Verbijsterd keek ik toe hoe hij op handen en knieën de ladder opkroop. Zodra hij wijdbeens op de nok van het dak zat, maakte het verstrooide licht van de voorgevellampen me duidelijk dat het een jonge man met ringbaard was. Mijn verbijstering was compleet toen ik hem uit een van de schouwpijpen een stuk textiel zag loswrikken. Opeens werd me alles duidelijk, bijna alles.
'Moordenaar!', schreeuwde ik zo hard als ik kon.
Hij draaide geschrokken zijn hoofd naar me, verloor zijn evenwicht en tuimelde het dak af. Tien meter lager belandde hij op de stenen vloer van het tuinterras.
Ik liep terug naar de hoek van het huis. Zonder hem ook maar een blik te gunnen, pakte ik de sneeuwschop die tegen de gevel rustte. Als een wildeman sloeg ik beide ramen stuk. Glassplinters vlogen in mijn gezicht. Al na drie slagen hield ik uitgeput halt.
Ik knielde hijgend naast de man. Hij lag roerloos op zijn rug. Sneeuwvlokken strandde op zijn gezicht en in zijn baard. Smekend keek hij me aan. Zijn lippen bewogen alsof ze me iets wilden zeggen.
'Jaap Scherphuis ?', vroeg ik.
Een stille glimlach verscheen om zijn mond. Dikke smeltdruppels rolden over zijn wangen.
'Waarom, in godsnaam waarom?', schreeuwde ik.
'Pieter Vermeulen?', prevelde hij.
Ik knikte. Uit zijn gebarsten schedel gutste bloed dat dampend de donkerblauwe broekspijp van mijn jeans almaar hogerop zwart kleurde.
'Lieve vriend', fluisterde hij. 'Wat voor toeval of slordigheid heeft mijn opzet doen mislukken? Goedman had me een lange lijst van zijn ongeneeslijke patiënten gegeven. Twaalf mocht ik eruit selecteren. Het kostte me een half jaar om negen patiënten te vinden die bereid waren de pijnloze dood te sterven die ik hun beloofd had. Eén ervan stapte gisteren al uit het leven. Jij en twee andere weerlozen plukte ik op de valreep uit de lijst om aan twaalf te komen.'
'Je bent een gemene moordenaar, en ik ben je vriend niet!', schreeuwde ik. 'Goedman en dat oud wijf zijn medeplichtig.'
Weer verscheen die stille glimlach.
'Ik had Goedman wijsgemaakt dat ik mijn nieuwe therapeutische inzichten wilde uitproberen. Alles moest op een ongeluk wijzen. Geen van hun namen zou bezoedeld worden met het woord zelfmoord.'
Hij had zichtbaar moeite om zijn ogen nog langer open te houden. Ik vreesde dat hij het antwoord op mijn nog enige vraag mee in zijn graf zou nemen. Ik schudde zijn verhakkeld lichaam door elkaar.
'Wat beoogde je?', schreeuwde ik. 'Winstbejag? Maatschappelijk onnut opruimen?'
Weer opende hij zijn ogen. Uit zijn wangen en voorhoofd was alle kleur weggetrokken.  
'De dokters gaven me nog drie maanden. Mensen voor wie alleen nog maar lijden en dood is weggelegd, zijn beter af in Gods handen. Ik voel dat ik deze wereld nu al moet verlaten. Jammer, er is nog zoveel werk.'
'Je bent een gestoorde gek', schreeuwde ik. 'Genoeg tijd verloren.' Ik rende zo snel als ik kon naar het tuinpoortje.
Terwijl ik naar het dichtstbijzijnde huis om hulp liep, ervoer ik plots een gevoel van intens geluk. Tranen rolden over mijn wangen. Ik vertraagde mijn passen en blikte naar boven. Doorheen het vuilzwarte wolkendek zag ik in gedachten een heldere maan en fonkelende sterren. Ik was aan de dood ontsnapt; ik voelde me als herboren. Niets zou nog zou zijn zoals voorheen.
Ik belde aan en keek weer naar boven; dankbaar, maar ook trots op mezelf, trots over mijn plotse verlangen naar het kostbaarste dat een mens kan bezitten.

Soms zeg ik het stilletjes, soms schreeuw ik het uit, maar geen dag gaat nog voorbij zonder de woorden: Ik heb het leven lief. 
 

Ik heb het leven lief © Koen Vlaeminck

Verder naar beoordeling Gerard Klappers - Koen Vlaeminck

Terug naar
Prozawedstrijd 2008

Terug naar Prozawedstrijd

Terug naar Homepage