|
Zijn handen liggen op zijn knieën. Hij houdt ze in bedwang met de kracht waarmee hij ook zijn mond dwingt tot zwijgen. De drukke prater is stil gevallen. Even maar. Dan
redeneert hij alweer. Met geloofwaardige argumenten verkondigt hij zijn mening. Zijn armen doorklieven de lucht. Zijn woorden stromen ratelend voorbij als een denderende trein. Maar de momenten van zwijgen worden
langer. Vaker ook houdt hij zijn hoofd scheef alsof hij luistert. Zoals nu. Zijn vrouw kijkt op van haar breiwerk. Haar ogen onderzoeken hem. Daar heeft hij een hekel aan. Zij weet niet van die stem die hem zo
treiterend toespreekt. Hoeft ook niet. Waarom haar lastigvallen met iets wat zo onduidelijk en ondefinieerbaar is? Alleen in de droom die iedere nacht terugkeert klinkt de stem klaar en helder. Maar die droom bant
hij uit zijn hoofd zo gauw hij wakker is. Vroeger toen de kinderen nog klein waren overwoekerde hij droom en stem met werken. Voor zijn gezin zorgen. Zes kinderen is geen kattenpis. Allemaal goed gestudeerd. Hij
heeft er wel krom voor gelegen. Maar hij heeft het gepresteerd. Ze zijn inmiddels Opa en Oma. Ieder weekeind beleven zij hun kinderen opnieuw. Ook anders. Mannen en vrouwen zijn het geworden die zeer gewichtig
praten. De kleinkinderen zijn vrolijk. Heldere stemmen die alle uithoeken van het huis vullen. Verstoppertje spelen ze onder de leegstaande bedden. Ze kruipen in kasten vol ooit nog te gebruiken kleding. Ze
verbergen zich tussen de zakken wolresten waarmee zijn vrouw tot in lengte van dagen breiende kan zijn. Hij geniet van die vrolijke stemmen. Hij lacht met de kinderen mee, zweept ze zelfs op met zijn grappen en
verhalen. Zo overschreeuwen ze de steeds luider klinkende stem in zijn hoofd die nu ook overdag vaker zijn zegje doet. Als een echo met een eigen oorsprong springt de stem tussen al zijn gedachten en duwt hen de
richting in die hij niet wenst. Daarom wringt hij, als hij de kans krijgt, zich met opmerkingen tussen de betogen van zijn zonen, tussen de lange redenaties over de toestand in de wereld. Hij mengt zich in de
ernstige gesprekken over de moderne opvoeding. Soms waagt hij een klein politiek debat. Over alles wil hij meepraten. Hij wil er die interne fluisterstem mee bedwingen. Soms introduceert hij het geloof. Het laat
hem niet los dat zijn kleinkinderen niet gedoopt zijn, zijn kinderen niets meer met de kerk te maken willen hebben. Vooral de jongste zoon kijkt geïrriteerd als hij over religie begint. Hij trekt zijn lippen tot een
spleet. De spot spettert uit zijn ogen. Soms spreekt hij zich uit: 'Pa, waar maak je je druk om.' Eens ving hij op: 'Pa met zijn lullige kletskoek.' Hij had met zijn vingertoppen zijn oorschelpen bedekt. In
een waas van ongeloof had hij zijn zoon aangestaard. Onbegrijpelijk. Zijn zoon, zijn kind dat hij gewiegd, verschoond, gevoerd en met principes opgevoed heeft, durft hem zo weg te zetten. Vanaf die dag
overdondert de stem al zijn dwarrelende gedachten en treitert: 'Jij met je principes. Had je die zelf wel? Toen, je weet wel. Waren je beslissingen die jij als gelovige nam wel in overeenstemming met je geweten?
Waren ze wel de wil van de door jou zo aanbeden God? Was het rechtmatig wat je deed?' Zijn hersens worden moe van dit op en neer denken, waarbij de schuldvragen gewikt en gewogen worden. Hij moet even slapen.
Liggend in zijn relaxfauteuil, steekt hij zijn benen stram vooruit in militaire houding. Pink op de naad van de broek. Zijn vrouw fronst haar voorhoofd. Zij is dat luieren van hem niet gewend. Zelfs op dit
moment laat de stem hem niet met rust. Hoog, laag, nasaal. De stem is er in alle toonaarden, dringt diep zijn hoofd binnen, dwingt, zeurt, dreint. De stem klaagt aan, verwijt, beschuldigt. Hij zweet. Met een grote
zakdoek als een witte vlag dept hij zijn voorhoofd, sluit vermoeid de ogen. Droombeelden projecteren zich tegen zijn gesloten oogleden. Beelden van omsingelde kampongs. Van door rupsbanden platgereden rijstvelden.
Van met prikkeldraad versperde wegen. Van kinderen bedelend bij de kampementen.
Het gebeurt weer opnieuw… Hij is een van de soldaten van het groepje van drie dat uitgestuurd wordt. Alle van hout
opgetrokken huisjes moeten ze binnengaan. Opdracht: de sluipschutter vangen die iedere nacht hun legerkamp onveilig maakt. Het is al donker. In de tropen valt de duisternis om zes uur in. Kleine kinderen liggen al
te slapen op uitgerolde bamboematjes. Ouders en grotere kinderen staren hen aan met grote donkere ogen. Hij schreeuwt: 'Nee! Nee! Niet doen!' Hij moet die voet tegenhouden. Die voet met dat zware
soldatenkistje. Hij kijkt naar het gezicht van zijn kompaan. Een masker van haat, waarin de lichtgrijze ogen flikkeren als staal. Geen enkele spier in dat gezicht beweegt als hij zijn voet uithaalt. Als
kameraad schouwt hij toe, verstijfd in al zijn ledematen. Hij zweet in zijn lichtgewicht uniform. Dit moet hij tegenhouden. Hij moet zich bukken. Met zijn blote hand die schop opvangen. Die soldaat op zijn bek
slaan. Maar hij doet niets. Als versteend kijkt hij naar die voet die tegen het hoofd van het slapende kind knalt. Hij ziet het kronkelende lichaampje, het tollende hoofd, het van pijn vertrokken gezicht
De stem beschuldigt: 'Waarom deed je niks?' Zijn dat zijn handen, vooruitgestoken in een afwerend gebaar? Hij krimpt in elkaar, laat zijn hoofd hangen. Hij, lafaard is schuldig aan de dood van dat
ventje. Ja, hij is schuldig. Daarom hebben ze hem gevangen genomen en afgevoerd. Ze binden hem. Hij moet bekennen. De beelden weken zich los van zijn oogleden, breken uit zijn hoofd. Ze projecteren zich op
de muren, kruipen in de gordijnen. Iedereen kan ze nu zien. In de gang lopen krijgsgevangenen. Handen in de nek. Zweetplekken op hun hemden. De beelden volgen elkaar op: zijn eigen scherp getekend profiel
weerkaatst in de grote spiegel in de huiskamer van zijn ouders. Mooi tropenpak. Klein formaat kepie. Lichtgewicht kostuum. Speciaal gemaakt voor de Indiëgangers. De radio met de stem van de minister president: 'Alle
dienstplichtigen moeten vechten voor het behoud van de koloniën.' Een grote oceaanstomer. De strijders voor volk en vaderland worden op de kade door familie uitgezwaaid. Zijn verloofde staat er ook. Maar hij
moet van die boot af zien te komen. Als hij nu dat schip verlaat is het allemaal niet gebeurd, bestaat het van pijn krimpende kind op dat bamboematje niet. Ook niet dat verkoolde lijkje van die baby in die kampong
die in brand vloog door hun granaten. Ondertussen blijft die beschuldigende stem maar herhalen: 'Jij was er ook bij. Jij ook. Net als Petrus weet je wel.'
Hij met zijn principes. Hij schaamt zich. Hij schaamt zich diep. 'Ja,' bekent hij. 'Ja, hij was daar ook. In die hitte. Maar hij heeft toch zijn plicht gedaan? Zijn plicht als soldaat.' Hij schreeuwt: 'Daar,
daar, kijk dan.' Hij wijst naar het rode gordijn in de kamer. Bloed, bloed, allemaal bloed. Schieten! Schieten! Ze vallen ons aan. Ze hebben scherpe krissen. Zien jullie het dan niet?' De boot stoot een zwaar
geluid uit. De motoren in de buik van het schip grommen. De loopplank is ingehaald. Maar hij kan nog springen. Hij meet zijn sprong van boot tot kade. Hij strekt zijn benen. Zwaait met zijn armen. Zijn vrouw houdt
hem tegen: 'Blijf nou rustig liggen. Je bent in de war. Ze maken je hier beter.' Wat zegt ze nou allemaal? Hij ziek? Hij is helemaal niet ziek. Hij moet die sprong wagen. Zijn uniform uittrekken, moet hij. Hij
wil helemaal niet naar dat tropische oord, naar die eeuwig groene eilanden.
'De gordel van smaragd,' leerden ze in de aardrijkskundeles. Het maalt allemaal tegelijk door zijn hoofd. De bloedige beelden, de
stem van de meester op school: 'Wij moeten trots zijn op onze Nederlandse koloniën. Wij brengen er beschaving en onze Nederlandse missionarissen bekeren de inwoners tot het heilig geloof.' Maar dat beeld klopt
niet. Hij ziet onderdanige baboe's die witte mensen dienen en voor hun kinderen zorgen. Mannen die geknecht worden omdat ze Indiër zijn. Nederlandse eigenaren van uitgestrekte koffie- thee- en rubberplantages waarop
inlanders zich in het zweet werken. Regeringsfunctionarissen die door het leger beschermd worden tegen de inwoners van het land. Zittend op de rand van zijn bed breekt hij met geweld door de militaire barricade.
Met kracht duwt hij de op wacht staande militairen aan de kant, neemt een aanloop… Sterke handen vangen hem op, knevelen hem. Ze leggen hem op een bed in het ruim van de boot. Ze blijven naast zijn bed staan in
tropenuniform. Hij moet afvaren in dienst van Hare Majesteit.
|
|