|
Lieve Moreno. Ja, ik heb je naam veranderd, vind je dit niet veel stoerder dan lief dagboek? Ben weer terug van die klotezitting op de rechtbank. Verzoek afgewezen,
Onder Toezicht Stelling verlengd. Mijn voogd heeft het weer mooi voor elkaar. 'Ze is een weglopertje,' zei ze met haar gespeeld lieve blik op de kinderrechter. 'Het is absoluut niet in haar belang om haar over te
brengen naar een halfopen jeugdinrichting.' Kutwijf. Als het aan haar ligt, blijf ik hier nog 2 jaar, 7 maanden en 16 dagen opgesloten. Alsof ik een crimineel ben… En de rechter, een vent van wel 60 die me
aan een opgeblazen onderkoelde kikker deed denken, verschool zich weer achter deftige woorden. Ik hoor zijn bekakte stem nóg. 'De Dienst Justitiële Jeugdinrichtingen heeft als missie via vrijheidsbenemende
maatregelen de aan onze zorg toevertrouwde minderjarigen de kans te bieden een maatschappelijk aanvaardbaar bestaan op te bouwen en ze tegen zichzelf te beschermen.' Hier op de gesloten afdeling van Zwijnstein
zeker? Maar ik laat me niet kennen. Je had me moeten zien vandaag! Ik heb ook al een tekentje voor de rechter bedacht. Een kikkertong. Ja, Moreno, je gaat er steeds leuker uitzien met al die symbooltjes en die
versierde stenotekens. Het is nog niemand hier gelukt om iets van mijn geheimschrift te ontcijferen. Ik ben een weglopertje en zal dat blijven, mijn symbool is niet voor niets een vlinder. One day I'll fly away…
Ik ben onkwetsbaar. Ook al maakte mijn moeder zich vanmiddag vet belachelijk. Ze smeekte de rechter zowat om me vrij te laten. 'Ik wil haar ergens anders hebben,' zei ze met een vreemd hoge stem. 'Ze heeft niets
strafbaars gedaan. Ze lijdt aan een reactieve hechtingsstoornis en heeft behandeling nodig, geen opsluiting. In Eikenstein zitten criminelen en kinderen met gedragsproblemen die wachten op plaatsing in een kliniek
nog steeds gewoon door elkaar. Dat brengt haar alleen maar op verkeerde ideeën. Begrijpt u dan niet dat haar sociale ontwikkeling daar juist achteruit gaat?' Ik dacht even dat ze zou gaan huilen, ze werd steeds
roder, maar ging toch verder. 'Als één van de meiden door het lint is gegaan, moeten ze alle 32 op hun cel blijven, ook de kinderen die geen straf uitzitten. Ze mag een keer per week een uurtje bezoek, onder
toezicht en dan alleen nog als ze het verdiend heeft! Ze gaat binnen het gebouw naar een ZMOK-school en leert daar niets waar ze echt iets aan heeft als ze straks met 18 vrijkomt. Ze heeft geen contact met normale
jongeren, geen tv of telefoon. Hoe kan ze zich dan voorbereiden op een maatschappelijk aanvaardbaar bestaan? Het is niet goed dat ze weggelopen is, maar ergens begrijp ik het wel.' Mijn zusje maakte het nog
erger. Ze begon te huilen, sloeg een arm om mijn moeder heen en zei terwijl ze kikkertong dapper aankeek: 'Ik wil dat Anouska thuiskomt. Ik mis haar heel erg. Ze doet echt niet expres zo, hoor. Ze kan er niets aan
doen.' Mijn lieve zusje. Ik wou dat ik haar kon beschermen. Net als toen. Je weet nog steeds niet wat er precies gebeurd is toen mijn vader ziek werd en overleed, hè? De buurman zou een oogje in het zeil houden
als mijn moeder in het ziekenhuis was. Ik dacht dat hij mij wilde troosten. Nou, mij raakte het niet, ik sloot me gewoon af van mijn gevoel, heb ook niks aan mijn moeder verteld want die had het al moeilijk genoeg,
maar ze moeten van mijn zusje afblijven. Het is al erg genoeg dat ze er op school op aangekeken wordt. Ze mocht laatst niet op een slaapfeestje komen 'omdat haar zus in de gevangenis zat' en de moeder van dat meisje
niet wilde dat haar dochter omging met kinderen uit asociale gezinnen. Nou ja zeg! En dan die nacht dat de politie om half vijf binnenviel en mijn zusje wakker maakte om het hele huis te doorzoeken. De sukkels! Net
alsof ik zo stom zou zijn om naar huis te vluchten. Maar ooit ga ik dat verhaal over die gestoorde buurman opschrijven, koop ik een laptop en word ik schrijfster. Net als Carry Slee ga ik schrijven over kinderen die
- 'Visitatie en urinecontrole,' klinkt het luid op de gang. Na een korte roffel wordt de celdeur opengedraaid. Snel klap ik mijn schrift dicht en schuif het onder het werkboek Engels. Met z'n tweeën stappen de
bewaaksters binnen, Sunila voorop. Ik denk aan haar symbool; een slang, met zwarte ogen. Ik buig mijn hoofd naar achteren en kijk haar recht aan.
'Wat was je aan het doen, meisje?' vraagt ze met haar achterlijke Surinaamse W's. 'Huiswerk Engels. Maar ik heb een naam. Een makkelijke zelfs. Anouska.' 'Goed Anouska, laat maar eens zien wat je deed dan.'
Ze pakt het werkboek Engels op en ziet het schrift. 'Wat is dit voor gekrabbel?' Vlak voor mijn ogen zwaait ze met het schrift, ik knipper niet en zwijg. 'Je weet de afspraak, hè? Hier wordt niet gelogen of
dingen verzwegen. Ik neem het mee. En jij gaat eerst plassen.' Dikke Dora haalt de plank boven mijn bureau leeg, knijpt hardhandig in mijn giraffeknuffel, graait in mijn kastje. Op zoek naar drugs of geld. Ha, ze
zal niets vinden. Ze denken dat ze alles onder controle hebben. Geld dat ik van mijn familie krijg om snoep en cola van te kopen moet worden afgegeven. De ene week komt mijn moeder, en sinds mijn zusje 13 is, komt
zij de andere week. Ik moet daarna door een poortje en word gefouilleerd, maar ik ben ze te slim af, soms lukt het om een briefje van vijf mee naar mijn cel te smokkelen. In de stortbak zit een plastic zakje met
geld en stenen. Daar kijken ze nooit. 'Komt er nog wat van?' snauwt Sunila die al bij de toilethoek staat te wachten met een kan in haar hand. Ze kijkt toe hoe ik plas, ik doe het expres over de rand, bij het
handvat. Nu moet ik veel papier gebruiken en kan ik treuzelen bij het afvegen. Sunila tikt geïrriteerd met haar vingers op de rand van de stalen afscheiding. Dan trekt ze de kan zowat uit mijn hand en loopt met
snelle stappen de cel uit. Goed zo, wegwezen jij. Soms hoor je bij het doorspoelen het zakje in de stortbak naar beneden schuiven. Dikke Dora volgt met mijn dagboek in haar hand. Ik trek door en lach. Morgen heb ik
hem weer terug, ze kunnen er toch niets in vinden. Ik weet waar ze naar zoeken. Naar wegloopplannen. Maar die zitten veilig in mijn hoofd. Ik luister naar de verdwijnende voetstappen en de stortbak die rustig vol
water loopt. Uit cel 9 klinkt babygekrijs. Maureen mag wel oppassen, zelfs ík hoor dat ze niks doet om dat kind van haar stil te krijgen. Ik kijk rond. Het duurt nog een uur voor het licht uitgaat. Fuck. Dikke
Dora heeft er een zootje van gemaakt, mijn knuffels liggen door elkaar op bed gesmeten, de nek van girafje hangt in een vreemde, trieste knik. Het lukt me niet om hem recht te krijgen. Ik zet hem naast mijn kussen
tegen de muur en ondersteun hem met mijn pyjama. De rest ruim ik morgen wel op. Ze kunnen barsten. Ik kruip naast girafje en strek me uit op bed, schuif mijn spijkerbroek wat naar beneden en laat mijn vingers
langzaam over de kleine tatoeage gaan, raak de vlindervleugels aan, zo licht dat het lijkt alsof ze echt zijn. Ik voel hoe ze trillen, hoe het kleine lijfje zich spant, klaar om op te vliegen. En dan komt ze los,
zweeft en fladdert rond mijn hoofd, over de lege plank naar het raam. Het glas houdt haar niet tegen, sierlijk verdwijnt ze tussen de tralies door. Ik sluit mijn ogen en denk aan buiten. Aan Zarif. 'Sweety,'
noemde hij me. Nou hij is zelf ook mooi en lief. De hele week dat ik bij hem was. Ik ga alles nog eens langs; hoe hij me meenam naar McDonald's, make-up voor me kocht en mijn tatoeage betaalde. Met een uitgestreken
gezicht zei hij tegen de eigenaar van de tattooshop dat ik 18 was en die gast geloofde hem. Iedereen gelooft Zarif. Hij is een echte leider. Wat zou hij op dit moment doen? Mist hij mij ook zo? Ik weet zijn nieuwe
adres, maar kan me geen voorstelling maken van zijn kamer. Precies volgens voorschrift snijd ik mijn boterham netjes in 8 stukjes. Tim doet alsof hij het niet ziet, maar ik weet dat hij op me let. Hij
neemt een slok koffie en opent de map waarin alle groepsleiders aantekeningen maken. Hij zoekt mijn 5-wekenplan en kijkt me glimlachend aan. 'Het gaat goed me je, Anouska. Kennelijk kun je je tóch aan onze gehate
regels houden. Gisteren hebben we dan ook besloten dat je mag gaan deelnemen aan een buitenactiviteit.' Mijn hart begint bonzen. Zo hard dat hij het wel moet zien. Snel neem ik een slok thee en doe alsof ik me
verslik. 'Onder strenge begeleiding mag je op zaalhandbal, bij een sportclub in Zeist, dat is toch wat je zo graag wilde?' Ik knik en krom mijn tenen. 'Ja, dank je wel.'
'Een keer in de week, op donderdagavond.' Dat is vanavond al! Mijn hoofd tolt door alle gedachten die er ineens doorheen flitsen. Cool focus ik op de blonde haartjes op zijn hand. Relax, niet te enthousiast doen.
In de kleedkamer, douches of wc, ergens moet een raampje zijn dat hij niet in de gaten kan houden. Ik heb genoeg voor een enkeltje Rotterdam. Deze keer zal ik niet te traceren zijn aan de hand van een NS-boete.
Niemand zal vragen naar mijn legitimatiebewijs. Als Zarif nu maar thuis is en ik zijn kamer weet te vinden. 'Hoe weet ik dat nou?' hoor ik Zarif naar iemand roepen terwijl hij aan het slot van de deur
rommelt. Hij is thuis! Ik kan niet wachten om zijn gezicht te zien. Eindelijk gaat de deur op een kier open. Het is donker in de kleine traphal, ik zie hem niet goed, maar voel hem overal in mijn lijf.
'Anouska? Wat doe jij hier?' Ik duw de deur verder open en vlieg hem om zijn hals. Hij ruikt naar Puma, nog steeds dezelfde aftershave. Alles is nog hetzelfde. Hij duwt me van zich af en kijkt over zijn
schouder naar het magere, blonde meisje dat boven aan de trap staat. 'Wie is zij?' wijst ze naar me. 'Een vriendin van vroeger,' zegt Zarif zonder veel geestdrift.
'Hadden jullie iets?' gaat ze verder met een stem waar de superioriteit vanaf druipt. 'Nee, niet echt. Gewoon een meisje die ik eens geholpen heb.' Dan kijkt hij mij aan. 'Kom binnen.' Mijn benen lijken
opeens verlamd, alsof alle energie uit me weggestroomd is. Een voor een dwing ik mijn voeten op de smalle treden en volg ik Zarif naar zijn kamer. Michelle heet die blonde bitch. Zarif heeft haar om
pizza's gestuurd. Hij zit tegenover me op het onopgemaakte tweepersoonsbed. Hún bed! Ik slaap hier nu al drie nachten, op een matras in een hoek van de kamer en heb hen iedere nacht gehoord, gezien en geroken. Ik
kan haar wel vermoorden. 'Luister, Anouska,' begint Zarif. 'Ik zit even zonder werk. Alles is anders nu, je begrijpt dat ik je niet zomaar gratis onderdak kan bieden. Je kan hier wel blijven, maar zal wat moeten
bijdragen in de kosten. Ik heb twee vrienden die wel wat in jou zien. Je hoeft niet enthousiast te doen, als je hen maar wat tegemoet komt, begrijp je?' Hij zegt het onbewogen. Ik kan niet geloven dat hij zoiets
van me verlangt. Ik ben geen hoer! Hij weet toch dat hij mijn eerste vriendje was? En laatste. Ik weet niets te zeggen en staar naar zijn ogen die zo zacht kunnen staan. 'Na het eten ga ik met Michelle uit, je
kunt dit bed gebruiken. Mijn vrienden hebben de sleutel, je ziet ze vanzelf wel komen.' Tegen tweeën hoor ik gestommel op de trap. Voeten die onzeker neergezet worden. Luidruchtige stemmen, zinnen die
onderbroken worden door een hikkende lach. Misschien zijn ze wel net zo zenuwachtig als ik, schiet het door me heen. Vanuit de stoel waarin ik me opgerold heb, kijk ik naar het bed en trek mijn jack dichter om me
heen. Snel knip ik de schemerlamp naast me uit, het enige licht komt nu van de tv die aanstaat zonder geluid. Ik ben onaantastbaar. De jongens zijn jonger dan ik verwachtte. De grootste is hooguit twintig en
lijkt wel wat op Zarif. Het kon slechter. 'Wil jij zien hoe ik die chick pak?' vraagt hij aan de kleinere die grinnikend knikt en wijdbeens in de andere stoel gaat zitten. Zonder me aan te kijken vraagt de
lange of ik me wil uitkleden en op bed gaan liggen. Langzaam en beheerst doe ik wat hij wil. 'Heb je geen condoom?' vraag ik. 'Nee, jij?' 'Nee.'
'Het kan wel zonder, je denkt toch niet dat ik aids heb of zo?' Zijn adem ruikt naar alcohol en knoflook. Ik draai mijn hoofd naar de tv. Een glimlachende vrouw prijst een strijkijzer aan. De jongen dringt ruw
bij me naar binnen. Zonder de jurk aan te raken houdt de vrouw het stomende apparaat op kleine afstand boven de glanzende, roze stof. De jongen beweegt driftig en snel. Als de vrouw de jurk optilt en hem trots
toont, kreunt de jongen en trekt zich uit me terug. 'Shit, man,' zegt de kleinere jongen, 'ik kom al.' Hij staart me wazig aan, zijn hand nog in zijn wijde skatersjeans.
De grote trekt hem bij zijn arm overeind. 'Kom, we gaan.' Ik luister hoe ze de trap afgaan, gehaast, maar minder luidruchtig dan daarnet. Ik zucht diep. Het gebeurt allemaal niet echt. Ik ben goed in het niets
voelen. Net als bij die kale buurman. Maar die ging niet zo ver, wilde alleen overal aanzitten. En zoenen. Nog voel ik zijn stugge snorharen op mijn borsten. Niet aan denken nu. Van binnen jeukt en brandt het.
Ik ga douchen, alles wegspoelen, net zo lang tot ik ook daar niets meer voel. Het warme water voelt lekker aan, ik gebruik extra veel badschuim en probeer net te doen alsof ik niet weet dat het flesje van
Michelle is. Ik adem diep in en uit en bezweer daarmee de pijn. Samen met de kale buurman verdwijnt zij naar een beheersbare achtergrond. Dit is maar tijdelijk. Ik vind vast wel een baantje en kamer voor mezelf.
Met een laptop en een paarse pluchen deken die ik losjes over de bank neerleg. Net zo een als Maureen heeft. Maureen en haar baby! De schrik schiet als een bliksemschicht door mijn borst. Wanneer was ik ook alweer
ongesteld? Slikte ik de pil maar. Zou het helpen wanneer ik mezelf van binnen heel goed uitspoel? Ik ga zo wijdbeens mogelijk staan en wil de douchekop pakken als ik stemmen op de gang hoor. Even denk ik dat Zarif
en Michelle thuiskomen, maar daar zijn de stemmen te zwaar voor. 'Politie. Doe open!' klinkt het gebiedend. Nee! Ik zit in de val. Als door een opgepoetst vergrootglas zie ik in een flits de situatie waarin
ik verkeer en niet uit kan ontsnappen en voel ik ook de pijn. Die gemene, stekende pijn die altijd op de loer ligt. Ik zou willen schreeuwen, met mijn vuisten op de deur willen bonken. De buurman tussen zijn benen
willen trappen. Mijn zusje willen omarmen. Mijn moeder alles willen vertellen, als ze me maar stevig vasthoudt en wiegt als een kind. Maar ik hou me doodstil, durf me niet te bewegen en nauwelijks adem te halen,
alsof ik hiermee de horrorfilm kan stilzetten. Terugspoelen als het even kan. Naar de tijd dat papa nog leefde. En mama nog gewoon was. Ik nog gewoon was. Door het gekletter van het water kan ik niet goed horen
wat er op de gang gebeurt. Dan zie ik dat de deur uit zijn sponning wordt gelicht. De voorste agent stapt de douche binnen. Een kalende man met snor, getrokken pistool en gebogen houding. Zijn collega staat vlak
achter hem en heeft handboeien paraat. Ik weet hoe die voelen. Ineens kan ik me weer bewegen, ik druk me in de hoek van de douche, voel de kou van de tegels tegen mijn rug als ik me langzaam op de grond laat zakken.
Iemand draait de kraan dicht en legt een handdoek over me heen.
|
|